Tegenbewijs in box 3: wanneer betaalt u over uw werkelijke rendement?
U betaalt in box 3 over uw werkelijke rendement als u aannemelijk maakt dat dat rendement lager is dan het forfaitaire rendement waarmee de Belastingdienst rekent. Dat doet u met een opgaaf van het werkelijk rendement op een apart formulier. Het werkelijk rendement omvat niet alleen rente, dividend en huur, maar ook waardeveranderingen, ook als u niets heeft verkocht.
Sinds de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het forfaitaire box 3-stelsel in strijd kan zijn met het eigendomsrecht, mag de belasting niet uitgaan van een rendement dat u in werkelijkheid niet heeft gehaald. De wetgever heeft dat vertaald in een tegenbewijsregeling. Op deze pagina leest u hoe die regeling werkt, wat als werkelijk rendement telt, in welke situaties tegenbewijs iets oplevert en wat u daarvoor moet vastleggen.
In het kort
- Box 3 gaat uit van een forfaitair rendement per vermogenscategorie, belast tegen 36 procent voor 2026.
- Is uw werkelijk rendement lager, dan kunt u met tegenbewijs heffing over het werkelijke rendement krijgen.
- Werkelijk rendement is directe opbrengst plus waardeverandering, gerealiseerd en ongerealiseerd.
- Kosten, zoals beheer- en onderhoudskosten, verminderen het werkelijk rendement niet.
- Tegenbewijs loont vooral bij verhuurd vastgoed met een lage huur en bij beleggingen in een slecht jaar.
- De bewijslast ligt bij u. Leg per jaar begin- en eindwaarden en alle opbrengsten vast.
Wilt u weten of u in box 3 te veel betaalt? In een quick scan beoordelen wij uw box 3-vermogen, vergelijken wij het forfaitaire rendement globaal met uw werkelijke rendement en geven wij aan of een opgaaf van het werkelijk rendement zinvol is. Het is een snelle eerste toets, geen volledige berekening voor alle jaren.
Review fiscale positie particulier, een quick scan met snel resultaat: EUR 495 excl. btw (EUR 598,95 incl. btw). Bekijk de aanpak →
Stel uw vraag per e-mailVertrouwelijk. Heldere prijsafspraak vooraf. Advies en uitvoering uit één hand. Aangesloten bij het Register Belastingadviseurs.
Hoe werkt het forfaitaire stelsel in box 3?
Box 3 belast niet het rendement dat u werkelijk behaalt, maar een veronderstelde opbrengst over uw vermogen op de peildatum aan het begin van het jaar. Na het Kerstarrest van de Hoge Raad (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) is het stelsel aangepast: de wet rekent nu met afzonderlijke forfaitaire rendementen voor banktegoeden, overige bezittingen zoals beleggingen en vastgoed, en schulden. Voor 2026 bedraagt het forfait voor overige bezittingen 6 procent. De percentages voor banktegoeden en schulden worden achteraf definitief vastgesteld; voorlopig gaat het voor 2026 om 1,28 procent voor banktegoeden en 2,70 procent voor schulden. Het percentage voor banktegoeden sluit zo aan bij de werkelijke spaarrente.
Over het zo berekende voordeel betaalt u voor 2026 36 procent box 3-belasting (artikel 2.13 Wet IB 2001), na aftrek van het heffingvrij vermogen in de grondslag. Voor wie vooral spaargeld heeft, sluit het forfait redelijk aan bij de werkelijkheid. Voor wie belegt of vastgoed verhuurt, kan het forfaitaire rendement in een bepaald jaar ver boven het werkelijke rendement liggen.
Wat heeft de Hoge Raad in juni 2024 beslist?
In het Kerstarrest oordeelde de Hoge Raad dat het oude box 3-stelsel in strijd was met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het EVRM, en dat rechtsherstel moest worden geboden. De wetgever heeft daarna het overbruggingsstelsel ingevoerd, met forfaits per vermogenscategorie. Daarmee was niet de vraag beantwoord wat er moet gebeuren als ook dat forfait hoger uitvalt dan het werkelijk behaalde rendement.
Op 6 juni 2024 heeft de Hoge Raad die vraag beantwoord (ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705). Als een belastingplichtige aannemelijk maakt dat zijn werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement, moet de heffing worden beperkt tot het werkelijke rendement. De Hoge Raad heeft daarbij ook aangegeven wat onder werkelijk rendement valt: alle voordelen uit het vermogen, inclusief ongerealiseerde waardeveranderingen, zonder aftrek van kosten.
Wat regelt de Wet tegenbewijsregeling box 3?
De lijn van de Hoge Raad is vastgelegd in de Wet tegenbewijsregeling box 3, de wet van 14 juli 2025 (Stb. 2025, 195), die op 19 juli 2025 in werking is getreden. De regeling staat in afdeling 5.6 van de Wet IB 2001 (artikel 5.25 en volgende). Wie meent dat zijn werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement, doet daarvan opgaaf via een apart formulier bij de Belastingdienst. Daarin vermeldt u per vermogensbestanddeel de opbrengsten en de waarden aan het begin en het einde van het jaar. Blijkt het werkelijk rendement lager, dan wordt de box 3-belasting berekend over dat werkelijke rendement.
De regeling werkt in uw voordeel, nooit in uw nadeel. Is het werkelijk rendement hoger dan het forfait, dan blijft het forfait gelden. Een negatief werkelijk rendement leidt niet tot een verlies dat u kunt verrekenen, maar wel tot een box 3-belasting van nihil voor dat jaar. De bewijslast ligt bij u: u moet het werkelijke rendement aannemelijk maken met stukken die de inspecteur kan controleren.
Wat telt mee als werkelijk rendement?
Werkelijk rendement is de som van de directe opbrengsten en de waardeveranderingen van uw box 3-vermogen in het jaar. Directe opbrengsten zijn onder meer rente, dividend, huur en andere uitkeringen. Waardeveranderingen tellen mee ongeacht of u iets heeft verkocht: stijgt de waarde van een aandelenportefeuille, dan is die stijging rendement, ook als de aandelen nog in uw bezit zijn. Een waardedaling vermindert het rendement op dezelfde manier.
Kosten tellen niet mee. Beheerkosten van een beleggingsportefeuille, transactiekosten, onderhoud aan een verhuurde woning en vergelijkbare uitgaven verminderen het werkelijk rendement niet. Betaalde rente op schulden die tot box 3 behoren, wordt wel in aanmerking genomen (artikel 5.27 Wet IB 2001). Voor vastgoed is van belang welke waarde aan het begin en het einde van het jaar geldt, en daarvoor gelden de waarderingsregels van box 3. Dat maakt de berekening technisch, en een fout in de waardering werkt direct door in de uitkomst.
Wanneer loont tegenbewijs?
Tegenbewijs loont vooral bij verhuurd vastgoed met een lage huur ten opzichte van de waarde, zeker in jaren waarin de woningwaarden nauwelijks stijgen. Het forfait voor overige bezittingen gaat uit van een rendement dat een gereguleerde huur vaak niet haalt. Ook bij een beleggingsportefeuille in een jaar met dalende koersen kan het werkelijk rendement ver onder het forfait liggen, of zelfs negatief zijn.
Bij spaargeld levert tegenbewijs meestal weinig op, omdat het forfait voor banktegoeden is afgeleid van de werkelijke spaarrente. Alleen wie een rente ontving die duidelijk onder het gemiddelde lag, kan een klein verschil hebben. Omdat de vergelijking over uw totale box 3-vermogen gaat, kan een goed jaar op het ene bestanddeel een slecht jaar op een ander bestanddeel compenseren. Een globale doorrekening vooraf voorkomt dat u veel werk maakt van een opgaaf zonder resultaat. Voor vastgoed leest u meer in Vastgoed in box 3 of in een bv.
Welke rol speelt het heffingvrij vermogen?
In het forfaitaire stelsel verlaagt het heffingvrij vermogen de grondslag waarover het voordeel wordt berekend. Voor 2026 bedraagt het 59.357 euro per belastingplichtige. Wie onder dat bedrag blijft, betaalt geen box 3-belasting en heeft dus ook geen tegenbewijs nodig. Fiscale partners kunnen het heffingvrij vermogen samen benutten.
Hoe het heffingvrij vermogen precies doorwerkt bij de vergelijking tussen het werkelijke en het forfaitaire rendement, is een technisch punt dat de uitkomst kan beïnvloeden, zeker bij een vermogen dat niet ver boven de drempel ligt. Wij rekenen dat per geval door, omdat het verschil tussen de twee berekeningen bij kleinere vermogens snel wegvalt.
Wat moet u bijhouden?
Omdat u het werkelijk rendement aannemelijk moet maken, is een goede administratie per jaar onmisbaar. Bewaar de jaaroverzichten van banken en beleggingsinstellingen met de waarden op 1 januari en 31 december, overzichten van ontvangen rente en dividend, huurcontracten en ontvangen huren, en de stukken waaruit de waarde van vastgoed blijkt. Bij aan- en verkopen in de loop van het jaar heeft u ook de transactieoverzichten nodig.
Voor buitenlandse bezittingen geldt hetzelfde, met daarbij aandacht voor valutaresultaten en buitenlandse bronbelasting. Begin niet pas als de aanslag binnen is: wie de gegevens jaarlijks verzamelt, kan bij de aangifte direct beoordelen of een opgaaf zinvol is. Of uw aanslag nog openstaat voor correctie, en hoe u bezwaar maakt als dat nodig is, leest u in Bezwaar tegen een belastingaanslag.
Komt er een stelsel op basis van werkelijk rendement?
Ja. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (Kamerstukken 36 748) is door de Tweede Kamer aangenomen en ligt bij de Eerste Kamer. De invoering is beoogd per 1 januari 2028, onder voorbehoud van aanvaarding door de Eerste Kamer. In dat stelsel vormt niet langer een forfait de grondslag, maar het rendement dat u in werkelijkheid behaalt. Voor vastgoed is een vermogenswinstbelasting voorzien: belast wordt de waardestijging bij verkoop, in plaats van jaarlijks. De invoering is al eerder uitgesteld vanwege de uitvoerbaarheid.
Tot dat stelsel in werking treedt, blijft het forfaitaire stelsel met de tegenbewijsregeling gelden. Voor beleggers en vastgoedbezitters is het daarom zinvol om nu al per jaar het werkelijk rendement te volgen, zowel voor de tegenbewijsregeling als ter voorbereiding op het nieuwe stelsel. Ook de keuze tussen beleggen in box 3 of via een bv verdient opnieuw aandacht. Meer over onze aanpak voor vermogende particulieren leest u op Voor de vermogende particulier.
Kerncijfers op een rij
| Onderwerp | Regel | Grondslag |
|---|---|---|
| Tarief box 3 2026 | 36 procent | Artikel 2.13 Wet IB 2001 |
| Kerstarrest | Oude forfaitaire stelsel in strijd met het EVRM; rechtsherstel | HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 |
| Arresten juni 2024 | Heffing beperkt tot werkelijk rendement als dat aannemelijk lager is | HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en 705 |
| Tegenbewijsregeling | In werking sinds 19 juli 2025 | Wet van 14 juli 2025, Stb. 2025, 195; afdeling 5.6 Wet IB 2001 |
| Werkelijk rendement | Directe opbrengsten plus waardeveranderingen, ook ongerealiseerd | Artikel 5.25 e.v. Wet IB 2001 |
| Heffingvrij vermogen 2026 | 59.357 euro per belastingplichtige | Wet IB 2001 |
| Forfaits 2026 | Overige bezittingen 6 procent; banktegoeden voorlopig 1,28 procent; schulden voorlopig 2,70 procent | Wet IB 2001 |
| Kosten | Niet in mindering op het werkelijk rendement; rente op box 3-schulden wel | Artikel 5.27 Wet IB 2001 |
| Opgaaf | Via een apart formulier; bewijslast bij de belastingplichtige | Afdeling 5.6 Wet IB 2001 |
| Negatief rendement | Box 3-belasting nihil, geen verrekenbaar verlies | Afdeling 5.6 Wet IB 2001 |
Veelgestelde vragen
Wanneer betaal ik box 3-belasting over mijn werkelijke rendement?
Als u aannemelijk maakt dat uw werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement. U doet daarvan opgaaf op een apart formulier, waarna de belasting over het werkelijke rendement wordt berekend.
Tellen ongerealiseerde koerswinsten mee?
Ja. Waardeveranderingen tellen mee, ook als u de beleggingen niet heeft verkocht. Een koersdaling verlaagt het werkelijk rendement op dezelfde manier.
Mag ik kosten aftrekken van mijn werkelijk rendement?
Nee. Beheerkosten, transactiekosten en onderhoudskosten verminderen het werkelijk rendement niet. Betaalde rente op schulden in box 3 telt wel mee.
Loont tegenbewijs als ik alleen spaargeld heb?
Meestal niet, omdat het forfait voor banktegoeden is afgeleid van de werkelijke spaarrente. Alleen bij een rente duidelijk onder het gemiddelde kan er een klein verschil zijn.
Kan een negatief rendement worden verrekend met latere jaren?
Nee. Bij een negatief werkelijk rendement is de box 3-belasting voor dat jaar nihil, maar het verlies schuift niet door naar een ander jaar.
Wat moet ik bewaren om tegenbewijs te kunnen leveren?
Jaaroverzichten met waarden aan het begin en einde van het jaar, overzichten van rente, dividend en huur, transactieoverzichten en stukken over de waarde van vastgoed.
Waarom dit maatwerk is
Of tegenbewijs iets oplevert, hangt af van de samenstelling van uw vermogen, de waardering van uw vastgoed, de ontwikkeling van uw beleggingen in het betreffende jaar en de positie van uw fiscale partner. De berekening vraagt om een zorgvuldige vastlegging van begin- en eindwaarden per bestanddeel en een correcte toepassing van de waarderingsregels. Kleine fouten kunnen het verschil tussen het forfait en het werkelijke rendement wegnemen of juist vergroten.
Wij beoordelen eerst of een opgaaf van het werkelijk rendement in uw situatie loont, en voor welke jaren. Daarna stellen wij desgewenst de opgaaf op, verzorgen wij uw aangiften inkomstenbelasting en voeren wij zo nodig de correspondentie met de Belastingdienst, naast uw huidige adviseur of in zijn plaats. Meer over onze werkwijze leest u op Vastgoed en box 3.
Stand van wet- en regelgeving: oktober 2026.
De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Bedragen en percentages gelden voor 2026 en kunnen wijzigen. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.
Wilt u weten welke boete u riskeert en hoe u die verlaagt? Wij brengen per jaar de belasting, de rente en het boeterisico in kaart, met de verweren en strafverminderende omstandigheden die in uw geval spelen.
Adviesmemo binnen tien werkdagen: vanaf EUR 950 excl. btw (EUR 1.149,50 incl. btw), afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Bekijk de aanpak en prijzen →
Stel uw vraag per e-mailVertrouwelijk. Vaste prijs vooraf. Advies en uitvoering uit één hand. Aangesloten bij het Register Belastingadviseurs.