De bedrijfsopvolgingsregeling: voorwaarden en valkuilen bij schenken en vererven van een onderneming
Met de bedrijfsopvolgingsregeling kunt u aandelen in een familiebedrijf grotendeels zonder schenk- of erfbelasting overdragen aan uw kinderen, en met de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting zonder directe heffing in box 2. Beide regelingen gelden alleen voor ondernemingsvermogen en alleen als zowel u als de verkrijger aan strikte voorwaarden voldoet. Wie die voorwaarden pas bij de overdracht bekijkt, ontdekt vaak dat een deel van de vrijstelling niet meer te halen is.
Zonder faciliteiten kan de overdracht van een gezonde onderneming aan de volgende generatie leiden tot schenk- of erfbelasting en een box 2-heffing die de verkrijger niet uit eigen middelen kan betalen. De bedrijfsopvolgingsregeling, kortweg BOR, en de doorschuifregeling zijn bedoeld om dat te voorkomen. Op deze pagina leest u hoe beide regelingen samenwerken, aan welke eisen u moet voldoen en waar het in de praktijk misgaat.
In het kort
- De BOR is een voorwaardelijke vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor ondernemingsvermogen (artikel 35b en volgende Successiewet 1956).
- De doorschuifregeling in de inkomstenbelasting voorkomt dat de overdragende dga bij schenking of overlijden direct box 2-belasting betaalt over de meerwaarde (artikel 4.17a en 4.17c Wet IB 2001).
- Voor 2026 is het ondernemingsvermogen volledig vrijgesteld tot 1.543.500 euro en daarboven voor 75 procent.
- De erflater moet de onderneming ten minste een jaar bezitten, de schenker ten minste vijf jaar. De verkrijger moet de onderneming drie jaar voortzetten.
- Beleggingsvermogen in de bv, waaronder aan derden verhuurd vastgoed, valt volledig buiten de BOR.
- Verkoopt of staakt de verkrijger binnen de voortzettingsperiode, dan vervalt de vrijstelling geheel of gedeeltelijk.
- De regeling is in 2024, 2025 en 2026 op onderdelen aangepast en staat politiek ter discussie. Tijdig plannen geeft de meeste zekerheid.
Wilt u uw onderneming overdragen aan de volgende generatie? Wij toetsen of uw structuur aan de voorwaarden van de BOR en de doorschuifregeling voldoet, rekenen de belasting door en stellen een stappenplan op voor schenking of vererving. Daarna begeleiden wij desgewenst de uitvoering, inclusief de aangiften.
Maatwerkadvies op basis van een offerte vooraf, afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Bekijk de aanpak →
Stel uw vraag per e-mailVertrouwelijk. Heldere prijsafspraak vooraf. Advies en uitvoering uit één hand. Aangesloten bij het Register Belastingadviseurs.
Wat is de bedrijfsopvolgingsregeling precies?
De BOR is een vrijstelling in de Successiewet 1956 voor de verkrijging van ondernemingsvermogen bij schenking of overlijden (artikel 35b tot en met 35f SW 1956). Zij geldt voor een eenmanszaak of een aandeel in een personenvennootschap, en voor aandelen in een bv die een materiële onderneming drijft, mits de aandelen een aanmerkelijk belang vormen. Wat vrijgesteld wordt, is de waarde van het ondernemingsvermogen op basis van de waarde going concern, dus de waarde van de onderneming als lopend bedrijf.
Voor 2026 is de verkrijging volledig vrijgesteld tot een drempelbedrag van 1.543.500 euro en daarboven voor 75 procent (artikel 35b, eerste lid, SW 1956). Tot 2025 was dat laatste percentage hoger. Over het resterende deel is wel schenk- of erfbelasting verschuldigd, tegen de gewone tarieven. De vrijstelling is voorwaardelijk: zij wordt verleend in de verwachting dat de verkrijger de onderneming voortzet, en kan later geheel of gedeeltelijk vervallen. Hoe de tarieven en vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting verder werken, leest u in Schenk- en erfbelasting 2026.
Hoe werkt de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting?
De BOR regelt alleen de schenk- en erfbelasting. Daarnaast speelt de inkomstenbelasting: wie aanmerkelijk-belangaandelen schenkt of nalaat, vervreemdt die aandelen fiscaal, en over het verschil tussen de waarde en de verkrijgingsprijs is in beginsel box 2-belasting verschuldigd.
De doorschuifregeling voorkomt die heffing op het moment van overdracht. Bij overlijden kan op verzoek worden doorgeschoven (artikel 4.17a Wet IB 2001), bij schenking onder voorwaarden (artikel 4.17c Wet IB 2001). De verkrijger neemt dan de oorspronkelijke verkrijgingsprijs over, zodat de latente box 2-claim bij hem terechtkomt en pas wordt afgerekend als hij de aandelen later verkoopt of dividend uitkeert. Bij schenking moet de verkrijger ten minste 21 jaar oud zijn (artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001). Die leeftijdseis kwam in 2025 in de plaats van de eerdere eis dat de verkrijger een aantal jaren in dienst van de vennootschap was, en geldt ook voor de BOR. Ook in de inkomstenbelasting is de doorschuiving beperkt tot het ondernemingsvermogen; over het beleggingsdeel wordt wel direct afgerekend.
Aan welke bezitseis en voortzettingseis moet u voldoen?
De bezitseis ziet op de overdragende generatie. Een erflater moet de onderneming of de aandelen ten minste een jaar in bezit hebben gehad, een schenker ten minste vijf jaar (artikel 35d, eerste lid, SW 1956). Sinds 2026 worden die termijnen verlengd voor erflaters en schenkers die een bepaalde leeftijd boven de AOW-leeftijd hebben bereikt, met een half jaar voor elk jaar dat zij ouder zijn. Daarmee wil de wetgever tegengaan dat beleggingen op hoge leeftijd nog snel in ondernemingsvermogen worden omgezet. Wie aandelen pas kort voor een schenking verkrijgt of herstructureert, kan dus buiten de regeling vallen. Voor herstructureringen kent de wet een samentelling van bezitsperioden, maar die werkt alleen als de herstructurering aan de eisen voldoet.
De voortzettingseis ziet op de verkrijger. Die moet de onderneming na de verkrijging drie jaar voortzetten en de aandelen in die periode houden (artikel 35e in samenhang met artikel 35b, vijfde lid, SW 1956). Tot 2025 gold een voortzettingsperiode van vijf jaar. Zelf in de onderneming werken is niet vereist. Wel moet de verkrijger bij schenking ten minste 21 jaar oud zijn (artikel 35b, vijfde lid, SW 1956), en moet hij bij schenking van aandelen een aanmerkelijk belang verkrijgen of al hebben.
Waarom is het verschil tussen ondernemings- en beleggingsvermogen zo belangrijk?
Omdat alleen ondernemingsvermogen onder de faciliteiten valt. Een bv die naast de onderneming ook vrije liquiditeiten of een effectenportefeuille houdt, heeft beleggingsvermogen. Dat deel van de waarde valt volledig buiten de BOR en kan in de inkomstenbelasting niet worden doorgeschoven. Bij veel familiebedrijven is juist dat opgepotte vermogen de grootste post.
Onroerende zaken die aan derden ter beschikking staan, gelden sinds 2024 wettelijk als beleggingsvermogen, zowel in de Successiewet als in de inkomstenbelasting. Een uitzondering geldt voor een pand dat aan de eigen werkmaatschappij ter beschikking staat, mits die het niet doorverhuurt. Sinds 2026 wordt de schuld die bij zo'n verhuurde onroerende zaak hoort, met die zaak gesaldeerd. Of liquiditeiten nodig zijn voor de onderneming, bijvoorbeeld voor een geplande investering of als buffer voor seizoensinvloeden, is een feitelijke vraag die u moet kunnen onderbouwen. Een tijdige herstructurering, zoals het afzonderen van beleggingen in een aparte vennootschap, kan de verhouding verbeteren, mits rekening wordt gehouden met de bezitseis.
Wat gebeurt er met de belasting over het deel dat niet is vrijgesteld?
Over het deel van het ondernemingsvermogen dat niet onder de vrijstelling valt, en over het beleggingsvermogen, is schenk- of erfbelasting verschuldigd. Voor de belasting over het belaste deel van het ondernemingsvermogen kan de verkrijger tien jaar uitstel van betaling krijgen (artikel 25, twaalfde lid, Invorderingswet 1990). Over die periode is invorderingsrente verschuldigd. Het uitstel eindigt eerder bij faillissement, schuldsanering of als de verkrijger binnen de periode de onderneming vervreemdt of staakt. Dat geeft lucht, maar het is geen kwijtschelding: de schuld blijft staan en loopt op met rente.
Voor het voorwaardelijk vrijgestelde deel geldt dat de belasting kan herleven als de verkrijger niet aan de voortzettingseis voldoet. Het gaat dus om een latente schuld die pas definitief verdwijnt na afloop van de voortzettingsperiode. In de inkomstenbelasting gaat de verkrijger na een doorschuiving bovendien verder met de lage verkrijgingsprijs van de schenker of erflater. Die latente box 2-claim is een reële last bij een latere verkoop, en dat moet u meenemen bij de waardering en bij de verdeling tussen kinderen.
Wat als de verkrijger binnen de voortzettingsperiode verkoopt?
Dan vervalt de vrijstelling, en wordt de schenk- of erfbelasting alsnog geheven over het vrijgestelde deel, naar rato van wat is vervreemd of gestaakt. Ook het uitkeren van meer vermogen dan de onderneming kan missen, of het omzetten van ondernemingsvermogen in beleggingsvermogen, kan de voortzettingseis raken.
In de inkomstenbelasting heeft een verkoop eveneens gevolgen. De verkrijger rekent dan af in box 2 over het verschil tussen de verkoopprijs en de doorgeschoven verkrijgingsprijs, dus ook over de meerwaarde die al bij de vorige generatie was opgebouwd. Daarom is het verstandig om bij de planning van de opvolging ook de verwachtingen van de kinderen te bespreken en contractueel vast te leggen wat er gebeurt bij een vroegtijdige verkoop. Een goede waardering is daarbij onmisbaar; zie Fiscale bedrijfswaardering bij overdracht.
Waarom loont het om tijdig voor te bereiden?
Omdat bijna elke verbetering tijd kost. Een herstructurering om beleggingsvermogen af te zonderen, het opbouwen van de vereiste bezitsperiode, die voor oudere ondernemers langer is, het opstellen van een aandeelhoudersovereenkomst en een testament dat aansluit op de opvolging: dat zijn stappen die vaak jaren vooraf moeten worden gezet.
Tijdig voorbereiden geeft ook ruimte om te spreiden. Gefaseerd schenken, bijvoorbeeld via certificaten of een combinatie met vruchtgebruik, kan de belastingdruk verder beperken en de zeggenschap bij de ouders laten. Meer daarover leest u in Estate planning: schenken op papier, vruchtgebruik en de BOR.
Blijft de regeling zoals zij nu is?
Dat is onzeker. De BOR en de doorschuifregeling staan al jaren in de politieke belangstelling, omdat zij vooral grote vermogens bevoordelen en ruimte bieden voor constructies die weinig met bedrijfsopvolging te maken hebben. Verschillende onderzoeken hebben aanbevolen de regelingen te versoberen. De regeling is in 2024, 2025 en 2026 op onderdelen aangepast, onder meer wat betreft verhuurd vastgoed, het vrijstellingspercentage boven het drempelbedrag, de voortzettingsperiode en de bezitseis voor oudere ondernemers.
Voor u betekent dat twee dingen. Ten eerste kan een opvolging die nu goed in de regeling past, onder toekomstige regels minder gunstig uitpakken, wat een argument kan zijn om een geplande overdracht niet onnodig uit te stellen. Ten tweede moet een plan robuust zijn: het moet ook verdedigbaar zijn als de regels tussentijds wijzigen. Wij volgen de wetgeving en toetsen elk plan aan de stand van zaken op het moment van uitvoering.
Kerncijfers op een rij
| Onderwerp | Regel | Grondslag |
|---|---|---|
| Vrijstelling schenk- en erfbelasting 2026 | Volledig tot 1.543.500 euro, daarboven 75 procent van de waarde going concern | Artikel 35b, eerste lid, SW 1956 |
| Doorschuiving bij overlijden | Op verzoek, beperkt tot ondernemingsvermogen | Artikel 4.17a Wet IB 2001 |
| Doorschuiving bij schenking | Verkrijger ten minste 21 jaar oud | Artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 |
| Leeftijdseis BOR bij schenking | Verkrijger ten minste 21 jaar oud | Artikel 35b, vijfde lid, SW 1956 |
| Bezitseis | Erflater een jaar, schenker vijf jaar; langer voor oudere erflaters en schenkers | Artikel 35d, eerste lid, SW 1956 |
| Voortzettingseis | Drie jaar | Artikel 35e jo. 35b, vijfde lid, SW 1956 |
| Verhuurd vastgoed | Beleggingsvermogen, behalve terbeschikkingstelling aan het eigen lichaam | SW 1956 en Wet IB 2001 |
| Belast deel | Tien jaar uitstel van betaling, met invorderingsrente | Artikel 25, twaalfde lid, Invorderingswet 1990 |
Veelgestelde vragen
Is de bedrijfsopvolgingsregeling een volledige vrijstelling?
Nee. Voor 2026 is het ondernemingsvermogen volledig vrijgesteld tot 1.543.500 euro en daarboven voor 75 procent. Over de rest en over beleggingsvermogen betaalt de verkrijger gewoon schenk- of erfbelasting.
Moet mijn kind in het bedrijf werken om de BOR te krijgen?
Nee. De verkrijger moet de onderneming wel drie jaar voortzetten en de aandelen houden. Bij schenking moet de verkrijger voor zowel de BOR als de doorschuiving in de inkomstenbelasting ten minste 21 jaar oud zijn.
Valt vastgoed in mijn bv onder de BOR?
Alleen als het vastgoed tot het ondernemingsvermogen behoort, bijvoorbeeld het bedrijfspand dat de onderneming zelf gebruikt. Aan derden verhuurd vastgoed geldt wettelijk als beleggingsvermogen en valt buiten de regeling. Een pand dat aan de eigen werkmaatschappij ter beschikking staat, kan wel onder de BOR vallen.
Wat gebeurt er als mijn kind de aandelen later verkoopt?
Gebeurt dat binnen de voortzettingsperiode, dan vervalt de vrijstelling naar rato en wordt alsnog schenk- of erfbelasting geheven. Daarnaast rekent uw kind in box 2 af over de volledige meerwaarde sinds uw eigen verkrijging.
Kan ik de BOR ook gebruiken als ik pas net een holding heb opgericht?
Dat hangt af van de manier waarop de holding is ontstaan. Bij een herstructurering kunnen bezitsperioden onder voorwaarden worden samengeteld. Is dat niet het geval, dan kan de bezitseis een overdracht op korte termijn in de weg staan.
Wordt de regeling afgeschaft?
Er is geen zekerheid over de toekomst van de regeling. Zij staat politiek ter discussie en is in 2024, 2025 en 2026 op onderdelen aangepast. Een opvolgingsplan moet daarom ook bij gewijzigde regels verdedigbaar blijven.
Waarom dit maatwerk is
Of en in welke mate de BOR en de doorschuifregeling van toepassing zijn, hangt af van de samenstelling van het vermogen in uw bv, de historie van uw structuur, de rol van uw kinderen en de vraag of u bij leven wilt overdragen of de overdracht via uw testament wilt regelen. Het onderscheid tussen ondernemings- en beleggingsvermogen moet bovendien per activum worden onderbouwd.
Wij brengen eerst uw structuur en het vermogen in kaart, rekenen de schenk- of erfbelasting en de box 2-gevolgen door en adviseren over de stappen die de faciliteiten veiligstellen. Daarna verzorgen wij desgewenst de uitvoering, de aangiften schenk- of erfbelasting en de begeleiding gedurende de voortzettingsperiode, naast uw huidige accountant of in zijn plaats. Hoe wij dat aanpakken, leest u op Bedrijfsopvolging en estate planning en op Voor de dga en ondernemer.
Stand van wet- en regelgeving: oktober 2026.
De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Bedragen en percentages gelden voor 2026 en kunnen wijzigen. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.
Eerst weten of uw bv klaar is voor een overdracht? Met een quick scan brengen wij de fiscale positie van uw bv en uw positie als dga in kaart, met de verhouding tussen ondernemings- en beleggingsvermogen en de eerste aandachtspunten voor de opvolging. Het is een snelle eerste toets, geen volledig opvolgingsadvies.
Review fiscale positie bv en dga, een quick scan met snel resultaat: EUR 995 excl. btw (EUR 1.203,95 incl. btw). Bekijk de aanpak →
Stel uw vraag per e-mailVertrouwelijk. Heldere prijsafspraak vooraf. Advies en uitvoering uit één hand. Aangesloten bij het Register Belastingadviseurs.