Carried interest en lucratief belang: de verzwaring per 2028

De wetgever verzwaart de belasting op carried interest. Vanaf 1 januari 2028 wordt het voordeel uit een middellijk gehouden lucratief belang dat in box 2 wordt belast door een multiplier verhoogd, zodat de effectieve druk oploopt tot maximaal het box 3-tarief. Wie carried interest of een managementparticipatie houdt, heeft tot die datum een afgebakend venster om de structuur te herzien of een vertrek uit Nederland te overwegen. Deze bijdrage legt uit wat er verandert, hoe de multiplier werkt, en welke keuzes nu voorliggen.

Wat is een lucratief belang?

Een lucratief belang is een vermogensrecht, meestal aandelen, winstdelende vorderingen of vergelijkbare rechten, waarvan het rendement in belangrijke mate afhangt van het realiseren van bepaalde management- of aandeelhoudersdoelstellingen, zoals winst, omzet, kostenbesparing of het verkoopklaar maken van een onderneming. De regeling bestaat sinds 2009 en is opgenomen in artikel 3.92b Wet IB 2001.

Het begrip is vooral relevant in de private-equity- en managementparticipatiepraktijk. Een manager of fondsbeheerder ontvangt daar een belang waarmee bij een goede afloop een rendement kan worden behaald dat niet in verhouding staat tot de inleg of het gelopen risico. Dat hefboomeffect, vaak vormgegeven via ratchets of achtergestelde instrumenten, maakt een belang tot een lucratief belang. In de internationale praktijk staat dit bekend als carried interest.

Box 1 is de hoofdregel, en de rangorde bepaalt dat

Het voordeel uit een lucratief belang wordt als hoofdregel belast in box 1, als resultaat uit overige werkzaamheden, tegen het progressieve tarief met een top van 49,5% (cijfer 2026). Dat geldt ook wanneer het rendement loopt via vorderingen, ratchets of andere vergelijkbare instrumenten.

De rangorderegeling versterkt dat uitgangspunt. Kan een voordeel zowel als resultaat uit overige werkzaamheden (box 1) als uit aanmerkelijk belang (box 2) worden aangemerkt, dan wijst de wet het toe aan de bron die het eerst is opgenomen. Dat is box 1. Zonder nadere structurering komt het voordeel dus in box 1 terecht.

Waarom kiezen houders voor box 2?

De wet biedt een alternatief, de aanmerkelijkbelangvariant. De belastingplichtige houdt het lucratieve belang niet rechtstreeks, maar via een kapitaalvennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Onder de voorwaarde dat ten minste 95% van de voordelen in hetzelfde jaar wordt doorgestoten naar privé, de doorstootverplichting, treedt de heffing in box 1 terug en komt een heffing in box 2 daarvoor in de plaats. Wordt aan de doorstootverplichting niet voldaan, dan blijft het voordeel in box 1 belast. Wie via een eigen vennootschap structureert, krijgt bovendien te maken met andere box 2-regels, zoals de Wet excessief lenen bij schulden aan de eigen bv.

Het verschil in druk is aanzienlijk. Waar box 1 oploopt tot bijna vijftig procent, ligt het toptarief in box 2 op eenendertig procent. Voor wie grote carried interest realiseert, is dat verschil de kern van de planning, en het is precies dat verschil dat de wetgever wil verkleinen. Diezelfde afweging tussen box 1, box 2 en privévermogen speelt breder bij de vraag of u in box 3 of via een bv belegt.

Wat verandert er vanaf 2028?

In plaats van de box 2-route af te schaffen, verbreedt de maatregel de grondslag met een multiplier. Het voordeel uit een middellijk gehouden lucratief belang wordt voor de berekening van het box 2-inkomen vermenigvuldigd met een breuk: het box 3-tarief gedeeld door het hoogste box 2-tarief. Het effect is dat de belastingdruk op deze voordelen wordt opgetrokken tot maximaal het box 3-tarief, thans 36%.

Een voorbeeld maakt het concreet. Een fondsbeheerder stoot in enig jaar honderdduizend euro aan carried interest door naar privé. Onder de huidige regeling wordt dat bedrag rechtstreeks tegen het box 2-tarief belast. Onder de nieuwe regeling wordt het eerst vermenigvuldigd met de breuk. Bij de voor 2026 geïllustreerde percentages, zesendertig gedeeld door eenendertig, ontstaat een grondslag van ongeveer honderdzestienduizend euro, waarover vervolgens het box 2-tarief wordt geheven. Het netto-effect is dat de effectieve druk in de eerste schijf stijgt van vierentwintig en een half naar ongeveer achtentwintig en een half procent, en in de toptariefschijf van eenendertig naar ongeveer zesendertig procent.

De multiplier is dynamisch. Omdat de breuk de verhouding tussen het box 3-tarief en het box 2-tarief volgt, hangt de werkelijke verzwaring in 2028 af van de tarieven die in dat jaar gelden. De hier genoemde percentages zijn de cijfers waarmee de wetgever de maatregel heeft toegelicht, niet een vaststaande uitkomst voor het jaar van invoering.

Waarom is de druk afgetopt op het box 3-tarief?

De maatregel had zwaarder gekund. De wetgever heeft de druk bewust gekoppeld aan maximaal het box 3-tarief en niet aan het toptarief in box 1. De reden is openhartig in de toelichting opgenomen: een hogere druk zou leiden tot herstructureringen en tot verplaatsing van investeringen naar het buitenland, waardoor de budgettaire opbrengst juist zou dalen. In de consultatie is daarnaast benadrukt dat Nederland met de heffing over lucratieve belangen niet uit de pas moet lopen met de omringende landen.

Daarmee erkent de wetgever de gedragsreactie die de maatregel zelf oproept. Dat is geen voetnoot, het is de strategische kern voor wie nu een positie inneemt.

Wanneer gaat de maatregel in?

De maatregel komt voort uit een tweede motie-Idsinga, aangenomen op 4 juli 2025, die de regering verzocht in het Belastingplan 2026 een voorstel op te nemen dat lucratief belang zwaarder belast in box 2. De regering heeft die motie uitgevoerd en wilde de multiplier per 1 januari 2026 laten ingaan.

Bij de parlementaire behandeling is de inwerkingtreding bij amendement uitgesteld tot 1 januari 2028. De motivering is veelzeggend: de wijziging heeft aanzienlijke gevolgen voor innovatieve ondernemingen, de investeringsbereidheid en het vestigingsklimaat, en grijpt in op parallelle trajecten zoals het advies van de Commissie Wennink, het nieuwe box 3-stelsel en de aandelenparticipatieregeling voor start- en scale-ups. Het uitstel biedt ruimte om de maatregel in samenhang te beoordelen. Voor de praktijk betekent het vooral één ding: een venster.

Wanneer is er sprake van een lucratief belang?

De vraag of een belang kwalificeert, is zelden vanzelfsprekend, en juist daar wordt de uitkomst bepaald. Doorslaggevend is het beloningsoogmerk: het rendement moet mede een beloning vormen voor de werkzaamheden van de houder en afhankelijk zijn van het realiseren van management- of aandeelhoudersdoelstellingen, met een hefboom. Ontbreekt dat oogmerk, dan valt een reguliere werknemersparticipatie zonder bijzondere voorwaarden buiten de regeling. Voordelen die al als loon zijn belast, blijven eveneens buiten beschouwing.

De grens is de afgelopen jaren scherper getrokken. De Hoge Raad oordeelde in 2023 dat vermogensrechten economisch vergelijkbaar zijn met achtergestelde aandelen die een lucratief belang vormen wanneer een hefboomeffect van meer dan één op tien ontstaat. Een recent kennisgroepstandpunt laat de andere kant zien: waar het oogmerk is gericht op het verkrijgen en behouden van een substantieel belang en niet op een exit, waar de voorwaarden zakelijk en niet bijzonder zijn, en waar een good- of bad-leaverregeling, tag along, drag along of een aan doelstellingen gekoppeld rendement ontbreekt, kan sprake zijn van een reguliere participatie buiten de regeling. De kwalificatie is dus feitelijk en wordt aan de voorkant bepaald.

Wat betekent dit voor u?

De verzwaring per 2028 maakt de timing en de structurering van carried interest tot een actuele afweging. Drie vragen liggen voor.

De eerste is kwalificatie. Wie nu een participatie aangaat of herziet, doet er goed aan vooraf vast te stellen of werkelijk een lucratief belang ontstaat, en zo ja, in welke variant. De grens van de Hoge Raad en de feitelijke toets van de kennisgroep bepalen de uitkomst, en die is aan de voorkant beter te beïnvloeden dan achteraf te repareren.

De tweede is timing. Tussen nu en 1 januari 2028 geldt de huidige druk in box 2 nog onverkort. Voor realisaties die in die periode vallen, kan dat een wezenlijk verschil maken. Dit raakt ook de waardering van het belang bij overdracht of realisatie.

De derde is de internationale dimensie. De wetgever rekent zelf op verplaatsing naar het buitenland, en voor een deel van de fondsbeheerders en oprichters is emigratie een reële optie. Wie die route overweegt, krijgt te maken met de Nederlandse kant van het vertrek: de fiscale gevolgen van emigratie, de conserverende aanslag en de positie van het aanmerkelijk belang. De bestemming is de variabele, de Nederlandse exit is de constante, en die exit vraagt om zorgvuldige voorbereiding ruim voordat het venster sluit.

Hoe wij hierin adviseren

Onze praktijk beoordeelt carried interest en managementparticipaties vanuit twee kanten tegelijk. Wij stellen vast of een belang als lucratief belang kwalificeert en in welke variant, wegen de gevolgen van de multiplier en de timing tot 2028, en betrekken daarbij de internationale dimensie wanneer herstructurering of emigratie in beeld komt. Dat is geen losse aangifteregel, maar een samenhangende positiebepaling waarin fiscaliteit, structuur en timing op elkaar moeten aansluiten.

Wie een lucratief belang houdt of aangaat, doet er verstandig aan deze afweging te maken zolang het venster openstaat. Wij denken daarin graag mee, vanuit emigratie en internationaal belastingrecht en vanuit de fiscale opinie- en procespraktijk.

Lucratief belang of carried interest? Laat uw positie beoordelen →

De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal of juridisch advies. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.

Vorige
Vorige

Wet excessief lenen: de drempel van € 500.000 voor de dga

Volgende
Volgende

Surinaams vermogen in de nalatenschap dat nooit is aangegeven