Beleggen in box 3 of via een bv: wat is fiscaal voordeliger?

De vergelijking, het omslagpunt en de wijziging in 2028

Wie privévermogen belegt, kan dat in box 3 doen of via een eigen vennootschap in box 2. De wijdverbreide aanname dat een bv fiscaal gunstiger is, klopt op dit moment vaak niet. Door de rechtspraak van de Hoge Raad en de tegenbewijsregeling is box 3 in veel gevallen voordeliger, en dat voordeel wordt groter naarmate uw werkelijke rendement hoger is, omdat het forfaitaire rendement als een plafond werkt. De bv heeft eigen voordelen, maar die liggen elders: in uitstel, kostenaftrek en verliesverrekening. Vanaf 2028 keert het beeld bovendien opnieuw. En voor wie internationaal beweegt, is de keuze tegelijk een keuze over emigratie. Deze bijdrage zet het volledig op een rij.

Hoe wordt beleggen in box 3 belast in 2026?

In box 3 wordt uw vermogen tot en met 2027 forfaitair belast: de Belastingdienst gaat uit van een verondersteld rendement op basis van de samenstelling van uw vermogen op 1 januari. Het vermogen wordt verdeeld in drie categorieën, elk met een eigen percentage. Voor 2026 zijn de gehanteerde forfaits 1,28% voor banktegoeden, 6,00% voor overige bezittingen zoals beleggingen, en een aftrek van 2,70% voor schulden boven de drempel. Over het samengestelde forfaitaire rendement betaalt u 36% belasting. Het heffingvrije vermogen bedraagt in 2026 € 59.357 per persoon, en het dubbele voor fiscale partners.

Daarnaast geldt sinds de rechtspraak van de Hoge Raad een tegenbewijsregeling. In het Kerstarrest en in de zogenoemde D-Day-arresten van 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat heffing over een forfaitair rendement in strijd is met het Europees recht voor zover dat forfait hoger is dan het werkelijke rendement. Maakt u aannemelijk dat uw werkelijke rendement over het hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire, dan wordt u over dat lagere werkelijke rendement belast. De bewijslast ligt bij u.

Hoe wordt beleggen via een bv belast?

Belegt u via een vennootschap, dan loopt de heffing in twee lagen. De bv betaalt vennootschapsbelasting over haar resultaat, inclusief koerswinsten, tegen 19% tot € 200.000 winst en 25,8% over het meerdere (cijfers 2026). Keert de bv vervolgens dividend uit, of verkoopt u de aandelen, dan volgt aanmerkelijkbelangheffing in box 2: 24,5% tot € 68.843 per persoon, het dubbele voor fiscale partners, en 31% daarboven.

Samen vormen deze twee lagen de gecombineerde druk. Bij directe uitkering bedraagt die in 2026 ongeveer 39% voor winsten tot € 68.843, circa 44% in de schijf daarboven, en bijna 49% bij de hoogste winsten. In totaal dus tussen ongeveer 38,8% en 48,8% over het rendement. Anders dan in box 3 worden in de bv alleen werkelijk gerealiseerde resultaten belast, zijn kosten aftrekbaar, en kunnen verliezen met winsten uit andere jaren worden verrekend. Datzelfde box 2-tarief speelt ook bij andere regelingen een rol, zoals bij de heffing op carried interest en lucratief belang.

Box 3 of bv: wat is nu fiscaal voordeliger?

Een zuivere tariefvergelijking valt uit in het voordeel van box 3. Het box 3-tarief is 36% met een heffingvrij vermogen, terwijl de gecombineerde druk in de bv hoger ligt. Belangrijker nog is dat het forfaitaire rendement in box 3 een wettelijk maximum vormt. Behaalt u een hoger werkelijk rendement, dan blijft de box 3-heffing beperkt tot het forfait, terwijl de bv vennootschapsbelasting en box 2 betaalt over het volledige, werkelijke resultaat. Het gevolg is contra-intuïtief maar wezenlijk: hoe hoger uw werkelijke rendement, hoe groter het voordeel van box 3.

Een rekenvoorbeeld met de cijfers van 2026 maakt het concreet. Bij een vermogen van een miljoen euro en een werkelijk rendement van acht procent kan de effectieve druk in box 3 rond de vijftien procent van het rendement liggen, omdat de heffing aan het forfait is gebonden. Belegt u datzelfde vermogen via een bv, dan loopt de gecombineerde druk bij directe uitkering op tot bijna negendertig procent in de eerste tariefschijf. Pas wanneer het werkelijke rendement onder het forfaitaire zakt, biedt de tegenbewijsregeling u ook in box 3 verlichting, zodat box 3 ook dan doorgaans voordeliger blijft.

Dat verklaart waarom een pure besparing via de bv in de huidige verhoudingen vaak niet bestaat. De aantrekkelijkheid van de bv ligt niet in het tarief, maar in heel andere eigenschappen.

Wanneer is de bv tóch aantrekkelijk?

De bv blijft interessant om drie redenen, die niets met het tarief te maken hebben. De eerste is uitstel. Zolang winst in de vennootschap blijft, betaalt u alleen vennootschapsbelasting en stelt u de box 2-heffing uit, in beginsel tot verkoop of uitkering en uiterlijk tot overlijden. Op de winstreserve rust dan wel een latente box 2-claim, die meegroeit met het vermogen. De tweede is kostenaftrek: in de bv zijn werkelijke kosten aftrekbaar, terwijl die bij het bepalen van het werkelijke rendement in box 3 buiten beschouwing blijven. De derde is verliesverrekening: een beleggingsverlies kan in de bv met winsten uit andere jaren worden verrekend, terwijl box 3 geen verliescompensatie over de jaargrens kent.

Daar staan kosten en frictie tegenover. Een bv vraagt om een jaarrekening, administratie en advies. Het inbrengen van een bestaande effectenportefeuille geldt fiscaal als een vervreemding tegen marktwaarde, met afrekening tot gevolg, en bij de inbreng van vastgoed komt overdrachtsbelasting kijken. Verder geldt de gebruikelijkloonregeling, al kan het in aanmerking te nemen loon bij louter vermogensbeheer beperkt blijven, zeker wanneer een bank het beheer voert. De bv is daarmee geen besparing op zichzelf, maar een instrument voor wie de eigenschappen ervan, vooral het uitstel, daadwerkelijk benut.

Wat verandert er vanaf 2028?

Vanaf 2028 verschuift box 3 van een forfaitair stelsel naar heffing over het werkelijke rendement. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is in parlementaire behandeling, met een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2028. Het is vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting, waarbij ook de niet-gerealiseerde waardestijging van uw beleggingen jaarlijks wordt belast. Het tarief blijft 36%. Het alternatief van een vermogenswinstbelasting, waarbij pas bij realisatie wordt geheven, heeft de regering vooralsnog niet voorgesteld. Het voorstel is omstreden en kan nog wijzigen.

Voor de keuze tussen box 3 en de bv is dit ingrijpend. Het huidige voordeel van box 3, dat het forfait als plafond werkt, verdwijnt zodra het werkelijke rendement wordt belast. Daarmee vervalt de reden waarom box 3 nu vaak wint bij hoge rendementen. Tegelijk keert het uitstelvoordeel van de bv terug, en sterker dan voorheen. De vermogensaanwasbelasting belast in box 3 jaarlijks ook de ongerealiseerde koerswinst, terwijl die in de bv pas bij realisatie wordt belast en de box 2-laag uitgesteld blijft. Voor wie langjarig koopt en vasthoudt, kan de bv onder het nieuwe stelsel juist aantrekkelijker worden. Of dat zo blijft, hangt af van de vraag of het stelsel een vermogensaanwas- of een vermogenswinstbelasting wordt, en die vraag is nog niet beslecht. Voortijdig herstructureren, met afrekening en overdrachtsbelasting als directe kosten, is daarom riskant.

Welke alternatieven zijn er nog binnen box 3?

Niet elke route die vroeger gebruikelijk was, staat nog open. De belegging via een eigen vrijgestelde beleggingsinstelling is sinds 1 januari 2025 afgesloten voor de in beperkte kring gehouden vbi. Ook het open fonds voor gemene rekening is per die datum fiscaal transparant geworden; voor familiefondsen binnen beperkte kring betekent dit dat de bezittingen worden toegerekend aan de participanten en bij hen in box 3 worden belast. Deze klassieke alternatieven zijn daarmee grotendeels van het toneel verdwenen.

Wat resteert, is genuanceerder. Tussen een spaar-bv en een beleggings-bv bestaat een wezenlijk verschil: voor wie tijdelijk een groot bedrag op een spaarrekening parkeert, kan een spaar-bv anders uitpakken dan privé sparen in box 3. Let daarbij op lenen van de eigen bv om in privé te beleggen: zowel de schuld als de aangekochte beleggingen vallen in box 3, en boven € 500.000 grijpt bovendien de Wet excessief lenen in. Binnen box 3 zelf blijven optimalisaties bestaan, zoals de vrijstelling voor groene beleggingen en het fiscaal gefaciliteerd opbouwen voor de oudedag via de jaarruimte voor lijfrente, dat vermogen naar box 1 verschuift. Elk van deze routes is maatwerk en vraagt om een berekening.

De internationale dimensie: buitenlandse bv en emigratie

Dit is het onderdeel dat in de meeste vergelijkingen ontbreekt, en dat onze praktijk in het bijzonder raakt. Het begint al bij de structuur zelf. Houdt u een aanmerkelijk belang in een buitenlandse beleggingsmaatschappij, dan wordt u in box 2 jaarlijks belast voor een forfaitair regulier voordeel, in 2026 gesteld op 6,00% van de waarde van het belang. De verkrijgingsprijs wordt met dat bedrag verhoogd om dubbele heffing te voorkomen. Deze jaarlijkse bijtelling blijft achterwege wanneer de winst van de buitenlandse vennootschap in het vestigingsland is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven redelijke winstbelasting. Een buitenlandse beleggingsstructuur is dus geen vanzelfsprekende ontsnapping, maar een regime met eigen voorwaarden.

Bij emigratie scherpt dit zich verder aan, want de keuze tussen box 3 en een bv is tegelijk een keuze over mobiliteit. Houdt u uw vermogen in een bv, dan maakt emigratie van u een vertrekkende aanmerkelijkbelanghouder. Dat leidt tot een fictieve vervreemding en een conserverende aanslag over de waardeaangroei in de Nederlandse periode. De uitgestelde box 2-claim wordt daarmee veiliggesteld, en het vertrek vraagt om zorgvuldige voorbereiding. De bv maakt u fiscaal minder beweeglijk. Belegt u privé in box 3, dan eindigt bij emigratie uw binnenlandse belastingplicht, doet u via het M-biljet aangifte over het jaar van vertrek, en bepaalt het toepasselijke belastingverdrag waar uw vermogen daarna wordt belast. Voor vastgoed in het buitenland geldt daarbij het situsbeginsel. Privévermogen in box 3 is in dat opzicht beweeglijker, maar wordt jaarlijks belast. Wie een toekomstig vertrek serieus neemt, weegt die mobiliteit mee in de keuze van vandaag.

Beleggen is fiscaal maatwerk

De vraag of u in box 3 of via een bv belegt, laat zich niet beantwoorden met een tarief alleen. Onder het huidige stelsel is box 3 vaak voordeliger, vooral bij hogere rendementen, terwijl de bv zijn waarde ontleent aan uitstel, kostenaftrek en verliesverrekening. Vanaf 2028 verschuift dat evenwicht opnieuw, en de eindvorm van het nieuwe stelsel staat nog niet vast. Doorslaggevend zijn uw horizon, de omvang van het vermogen, het verwachte rendement, uw behoefte aan liquiditeit en de kans op een toekomstig vertrek uit Nederland. Dit is structureringswerk, geen productkeuze: de selectie van de beleggingen zelf en de bredere financiële planning vragen om afzonderlijk advies.

Onze praktijk maakt die afweging met rekenmodellen en scenario's, en betrekt daarbij van meet af aan de internationale dimensie wanneer een vertrek denkbaar is. Zo wordt de keuze niet bepaald door de stand van het tarief in één jaar, maar door de samenhang over de jaren die voor u tellen. Wij denken daarin graag mee, vanuit de praktijk vastgoed, box 3 en vermogen, de dga- en ondernemerspraktijk en, bij grensoverschrijdende situaties, vanuit emigratie en internationaal belastingrecht.

Box 3 of een bv? Laat uw situatie doorrekenen →

De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.

Volgende
Volgende

Wet excessief lenen: de drempel van € 500.000 voor de dga