Fiscale woonplaats van particulier en BV: wat verandert er bij emigratie? (2026)

Emigreren is zelden alleen een verhuizing. Voor de ondernemer, de directeur-grootaandeelhouder en de vermogende particulier is het bovenal een fiscale gebeurtenis, en vaak een van de ingrijpendste uit hun leven. De vraag waar u fiscaal woont, en waar uw vennootschap is gevestigd, bepaalt of Nederland heft over uw wereldinkomen of slechts over een handvol binnenlandse bronnen. Diezelfde vraag bepaalt of bij vertrek een conserverende aanslag van vele tonnen of miljoenen op de mat valt, of uw holding moet afrekenen over haar stille reserves, en of de fiscus tot tien jaar na dato nog erfbelasting kan heffen.

Het lastige is dat de kernbegrippen nergens in een formule zijn vastgelegd. De wet zegt slechts dat woonplaats en vestigingsplaats naar de omstandigheden worden beoordeeld. Achter die ene zin gaat een halve eeuw rechtspraak schuil, een reeks wettelijke ficties en een fijnmazig samenspel met belastingverdragen. In dit artikel brengen wij dat volledige speelveld in kaart: de fiscale woonplaats van de particulier, de vestigingsplaats van de BV, de gevolgen van emigratie voor de particulier, en tot slot de meest complexe vraag: waar woont de geëmigreerde ondernemer, en waar staat zijn holding als die blijft voortbestaan?

Waarom bepaalt uw fiscale woonplaats bijna alles?

De fiscale woonplaats is de spil waar het hele Nederlandse heffingssysteem om draait. Wie in Nederland woont, is binnenlands belastingplichtig en wordt belast naar zijn wereldinkomen: het inkomen uit werk, de aanmerkelijkbelangwinst en het rendement op vermogen, waar ook ter wereld verdiend. Wie niet in Nederland woont, is hooguit buitenlands belastingplichtig en betaalt alleen belasting over een beperkt rijtje Nederlandse inkomensbronnen. Het verschil tussen die twee posities kan tienduizenden euro's per jaar bedragen, en bij een aanmerkelijk belang of een aanzienlijk vermogen loopt het al snel in de miljoenen.

Diezelfde woonplaats bepaalt ook of Nederland bij vertrek mag afrekenen, of de erf- en schenkbelasting van toepassing blijft, en welk land onder een belastingverdrag als eerste aan zet is. Voordat u ook maar één fiscale vraag over emigratie kunt beantwoorden, moet dus vaststaan waar u woont. En dat oordeel laat de wetgever bewust over aan de feiten.

Wat betekent wonen naar de omstandigheden?

De grondslag is verrassend kort. Artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat waar iemand woont en waar een lichaam is gevestigd, naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Meer staat er niet. De wetgever heeft er bewust van afgezien om vaste criteria vast te leggen, zoals een minimum aantal dagen of een verplichte inschrijving, en koos in plaats daarvan voor een open norm waarbij de feitelijke werkelijkheid de doorslag geeft.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt de centrale toets: u woont in Nederland wanneer er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen u en Nederland. Die formulering is op twee punten cruciaal. Ten eerste geldt een lage drempel: de band met Nederland hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land. Het is dus niet vereist dat het middelpunt van uw maatschappelijke leven in Nederland ligt. U kunt in Spanje uw hoofdverblijf hebben, daar het grootste deel van het jaar doorbrengen en toch fiscaal in Nederland blijven wonen, zolang hier een voldoende duurzame persoonlijke band overblijft. Ten tweede telt zowel het objectieve als het subjectieve mee: niet alleen waar uw huis en gezin zich bevinden, maar ook wat uw kennelijke bedoeling is. De Hoge Raad heeft daarbij bepaald dat er geen rangorde tussen de factoren bestaat en dat zwakke aanwijzingen op het ene terrein niet hoeven te worden gecompenseerd door sterkere op een ander terrein. Eén zwaarwegend feit kan de balans al doen doorslaan.

Welke factoren wegen mee bij uw woonplaats?

Omdat de wet geen criteria noemt, heeft de praktijk ze uit de rechtspraak en uit het openbaar gemaakte beleid van de Belastingdienst gedestilleerd. Grofweg valt er onderscheid te maken tussen materiële omstandigheden, die zwaar wegen, en formele omstandigheden, die slechts een ondergeschikte rol spelen.

Materiële factoren (zwaar gewicht)Formele factoren (ondergeschikt)
De verblijfplaats van partner en kinderen (het gezin)Inschrijving in de Basisregistratie Personen
Het feitelijk verblijf in Nederland en de frequentie daarvanNationaliteit
De beschikbaarheid van een duurzame woongelegenheid
De plaats waar u na een vakantie pleegt terug te keren
De plaats waar de dienstbetrekking of het beroep wordt uitgeoefend

Een belangrijke waarschuwing voor wie denkt met een verhuizing van de onderneming ook zijn woonplaats te verplaatsen: een louter economische binding met Nederland, zonder een persoonlijke en sociale dimensie, is op zichzelf onvoldoende om hier een woonplaats aan te nemen. Het gezin dat achterblijft, het huis dat beschikbaar blijft en de gewoonte om telkens terug te keren, wegen in de praktijk het zwaarst. Uitschrijven bij de gemeente verplaatst uw fiscale woonplaats dus niet, uw leven verplaatsen wel. Naast deze feitelijke toets kent de Wet inkomstenbelasting 2001 nog twee woonplaatsficties, onder meer voor wie binnen een jaar terugkeert en voor uitgezonden overheidswerknemers, die het feitelijke oordeel in bepaalde gevallen opzijzetten.

Kunt u fiscaal in twee landen tegelijk wonen?

Ja. Omdat het middelpunt van uw leven niet in Nederland hoeft te liggen, is een dubbele woonplaats fiscaal mogelijk en zelfs niet ongewoon. Zowel Nederland als het nieuwe woonland kan u naar eigen nationaal recht als inwoner aanmerken. Dat zou tot dubbele heffing over hetzelfde inkomen leiden, ware het niet dat vrijwel elk belastingverdrag hiervoor een oplossing kent.

Die oplossing heet de tie-breaker. Wanneer twee staten u allebei als inwoner beschouwen, wijst het verdrag via een reeks opeenvolgende criteria één woonstaat aan: eerst waar u een duurzaam tehuis hebt, dan waar het middelpunt van uw levensbelangen ligt, vervolgens waar u gewoonlijk verblijft, en ten slotte uw nationaliteit. Wint het andere land die tie-breaker, dan blijft u naar Nederlands nationaal recht weliswaar inwoner, maar mag Nederland nog slechts heffen over de inkomsten waarvoor het verdrag het heffingsrecht aan Nederland toewijst. Men spreekt dan van een beperkte binnenlandse belastingplicht. Wilt u weten hoe de heffing er als niet-inwoner precies uitziet, lees dan Buitenlands belastingplichtige: waarover heft Nederland nog? →

Waar is een BV fiscaal gevestigd?

Wat voor de particulier de woonplaats is, is voor de vennootschap de vestigingsplaats. Ook hier geldt dat de vestigingsplaats naar de omstandigheden wordt beoordeeld, en het materiële criterium is de plaats van de werkelijke leiding. De statutaire zetel, de plaats van de aandeelhoudersvergadering, de locatie van de administratie of de valuta van de boekhouding zijn slechts aanwijzingen. Beslissend is waar de vennootschap feitelijk wordt geleid.

De Hoge Raad heeft als hoofdregel geformuleerd dat de werkelijke leiding in beginsel berust bij het bestuur, zodat de vennootschap gevestigd is waar het bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Alleen als aannemelijk is dat in werkelijkheid een ander, bijvoorbeeld een grootaandeelhouder op de achtergrond, de dienst uitmaakt, kan die andere locatie de vestigingsplaats bepalen. Bij die beoordeling telt onder meer waar de bestuurders wonen en vergaderen, waar de kernbeslissingen worden genomen, waar de administratie wordt gevoerd en onder welk toezicht de vennootschap staat. Dat de plaats van oprichting op zichzelf niet doorslaggevend is, illustreerde de Hoge Raad al: een naar buitenlands recht opgericht lichaam dat feitelijk vanuit Nederland werd geleid, was hier gevestigd, ongeacht het oprichtingsrecht.

Blijft uw BV in Nederland door de oprichtingsfictie?

Hier ligt de tweede, beslissende laag. Artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bepaalt dat een naar Nederlands recht opgericht lichaam, zoals de vertrouwde BV, voor de heffing van vennootschapsbelasting altijd geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd. Deze oprichtingsfictie is onweerlegbaar: tegenbewijs is niet mogelijk. Voor een gewone Nederlandse BV is de feitelijke toets van artikel 4 AWR daarmee voor de vennootschapsbelasting eigenlijk niet meer relevant. Die toets herleeft pas als het lichaam niet naar Nederlands recht is opgericht.

De gedachte achter de fictie is tweeledig: zij werpt een dam op tegen het louter om fiscale redenen verplaatsen van de zetel naar het buitenland, en zij bewaart het Nederlandse heffingsrecht tegenover buitenlandse aandeelhouders. De consequentie is verstrekkend. Zelfs als u de werkelijke leiding van uw BV naar het buitenland verplaatst, blijft de vennootschap voor de Nederlandse vennootschapsbelasting binnenlands belastingplichtig, en blijft zij door een parallelle fictie in de Wet op de dividendbelasting 1965 inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. De fictie eindigt pas wanneer de rechtspersoon zelf ophoudt te bestaan, door liquidatie of een daarmee gelijkgestelde omzetting. Wel kan een belastingverdrag na verplaatsing van de leiding het Nederlandse heffingsrecht beperken, waardoor de dividendbelasting op grond van de enkele fictie niet in alle gevallen houdbaar is. Verplaatst een Nederlandse BV haar leiding naar een land dat haar op grond van die leiding als inwoner beschouwt, dan ontstaat een dubbele vestigingsplaats die het verdrag met een tie-breaker oplost, tegenwoordig veelal via een onderlinge overlegprocedure tussen de belastingdiensten.

Wat gebeurt er bij emigratie met uw aanmerkelijk belang?

Zodra vaststaat dat u niet langer in Nederland woont, wil Nederland afrekenen over de waarde die tijdens uw binnenlandse periode is opgebouwd, of op zijn minst de claim daarop veiligstellen. Het instrument daarvoor is de conserverende aanslag: een aanslag die wel wordt opgelegd, maar waarvoor u uitstel van betaling krijgt.

Heeft u een aanmerkelijk belang, in de regel een belang van minstens vijf procent, dan is dit het onderdeel dat er financieel het meest toe doet. De wet merkt emigratie aan als een fictieve vervreemding van dat belang. Op dat moment wordt gedaan alsof u uw aandelen verkoopt tegen de waarde in het economische verkeer. Het verschil tussen die waarde en uw verkrijgingsprijs is de winst waarover Nederland wil heffen, vastgelegd in een conserverende aanslag in box 2. Het systeem is er bewust op gericht om alleen de waardestijging uit de Nederlandse periode te belasten: u krijgt voor de buitenlandse periode een verkrijgingsprijs gelijk aan de waarde op het emigratiemoment, een zogenoemde step-up, zodat het nieuwe woonland niet nog eens heft over wat Nederland al heeft geclaimd.

Het box 2-tarief is tweeschijvig. Voor 2026 bedraagt het 24,5 procent over de eerste schijf tot 67.804 euro, en 33 procent over het meerdere. Bij een aanzienlijke meerwaarde valt het overgrote deel dus in de 33 procentschijf. Sinds 15 september 2015 is het uitstel van betaling onbeperkt in duur, maar de aanslag wordt niet langer door enkel tijdsverloop kwijtgescholden. Over de uitstelperiode is geen invorderingsrente verschuldigd. Bij emigratie binnen de EU of EER wordt het uitstel automatisch en zonder zekerheid verleend; bij vertrek naar een derde land moet zekerheid worden gesteld.

Het uitstel eindigt, geheel of gedeeltelijk, bij een aantal handelingen die de wet als afwikkeling van uw belang ziet: de verkoop van de aandelen, de terugbetaling van gestort kapitaal, en, in de praktijk het meest relevant, de uitkering van dividend. Bij elke dividenduitkering na emigratie wordt de conserverende aanslag naar rato ingevorderd, verminderd met de Nederlandse dividend- of inkomstenbelasting en met de in het buitenland feitelijk geheven belasting daarover. De volledige werking van deze aanslag, met alle bijzonderheden, leest u in De conserverende aanslag bij emigratie →

Hoe zit het met pensioen en lijfrente bij emigratie?

Ook voor uw oudedagsvoorzieningen wil Nederland de tijdens de binnenlandse periode verleende aftrek beschermen. Bij pensioen wordt de waarde van de opgebouwde aanspraak vlak vóór emigratie tot uw loon gerekend; bij lijfrente worden de eerder afgetrokken premies en het daarop behaalde rendement als negatieve uitgaven teruggenomen. In beide gevallen mondt dit uit in een conserverende aanslag, bedoeld om de claim veilig te stellen voor het geval het kapitaal buiten het Nederlandse bereik zou raken.

Er is één belangrijk verschil met het aanmerkelijk belang. Voor pensioen en lijfrente geldt een uitstel van tien jaar. Verloopt die periode zonder een verboden handeling zoals afkoop of verpanding, dan volgt op verzoek kwijtschelding. Waar de conserverende aanslag over het aanmerkelijk belang dus in beginsel onbeperkt boven de markt blijft hangen, dooft die over pensioen en lijfrente na tien jaar uit. Wijst een belastingverdrag het heffingsrecht over pensioen en lijfrente exclusief toe aan het nieuwe woonland, dan is de Nederlandse terugname beperkt, en voor oudere opbouwjaren zelfs in strijd met de goede verdragstrouw geoordeeld, wat tot een verplichte compartimentering van de grondslag heeft geleid.

Hoe lang blijft de erf- en schenkbelasting u volgen?

Een van de meest onderschatte gevolgen van emigratie ligt in de Successiewet. Een Nederlander die het land metterwoon heeft verlaten, wordt nog gedurende tien jaar geacht in Nederland te wonen voor de erf- en de schenkbelasting. Overlijdt u binnen die periode of doet u een schenking, dan heft Nederland over uw wereldvermogen alsof u nooit was vertrokken.

Twee elementen verdienen nadruk. Ten eerste geldt de regeling uitsluitend voor houders van de Nederlandse nationaliteit, en wel zowel op het moment van vertrek als op het moment van overlijden of schenking. Wie een andere nationaliteit heeft, valt er niet onder. Ten tweede begint de termijn pas te lopen zodra u Nederland feitelijk metterwoon verlaat; een enkele uitschrijving terwijl u hier feitelijk blijft, zet de klok niet in gang. De regeling is door het Hof van Justitie en de Hoge Raad houdbaar bevonden, en het kabinet heeft laten weten haar niet te willen wijzigen. Voor de schenkbelasting bestaat daarnaast een eenjaarregeling die voor iedereen geldt, ongeacht de nationaliteit. Voor de vermogende emigrant is deze tienjaarstermijn vaak de langste schaduw van het vertrek.

Wat verandert er in box 1 en box 3 na emigratie?

Na emigratie wordt u buitenlands belastingplichtig en beperkt Nederland zijn heffing tot Nederlandse bronnen. Voor de eigen woning in box 1 betekent dit dat een in Nederland gelegen woning tot de grondslag blijft behoren. Houdt u de voormalige eigen woning leeg aan en heeft zij ten minste een jaar als hoofdverblijf gediend, dan kan zij onder de verhuisregeling nog als eigen woning kwalificeren en blijft de hypotheekrente aftrekbaar. Ontstaat daardoor een verlies uit werk en woning, dan is dat verrekenbaar met de drie voorafgaande en negen volgende jaren.

In box 3 versmalt de grondslag aanzienlijk. Als buitenlands belastingplichtige wordt u nog slechts belast over in Nederland gelegen onroerende zaken, rechten die daarop betrekking hebben, en bepaalde winstrechten in Nederlandse ondernemingen. Uw buitenlandse beleggingsportefeuille, spaartegoeden en overige vermogen vallen buiten de Nederlandse heffing. Het box 3-tarief bedraagt in 2026 36 procent over het forfaitaire rendement. In het jaar van emigratie wordt het voordeel naar tijdsgelang herrekend. Het onderstaande overzicht vat de belangrijkste posities samen.

OnderwerpDuur uitstelKwijtschelding
Conserverende aanslag aanmerkelijk belangOnbeperkt (na 15 september 2015)Nee, vervallen
Conserverende aanslag pensioen10 jaarJa, op verzoek
Conserverende aanslag lijfrente10 jaarJa, op verzoek
Erf- en schenkbelasting (woonplaatsfictie)10 jaar na vertrekNiet van toepassing
Box 3 na emigratieNiet van toepassingNiet van toepassing

U emigreert, maar uw holding blijft in Nederland: wat dan?

Hier komen de twee lijnen samen, en hier zit de werkelijke complexiteit. De ondernemer die emigreert, neemt zelden alles mee. Meestal blijft er een structuur achter, doorgaans een holding-BV waarin de winstreserves, de deelnemingen of het pensioen zijn ondergebracht. De cruciale vraag wordt dan: verhuist alleen de aandeelhouder, of verhuist ook de vennootschap?

In het meest voorkomende geval emigreert de directeur-grootaandeelhouder, maar blijft de werkelijke leiding van de holding in Nederland, bijvoorbeeld omdat het bestuur feitelijk vanuit Nederland wordt gevoerd of aan een in Nederland woonachtige medebestuurder is opgedragen. Dan is er geen zetelverplaatsing. De exitheffing van de vennootschapsbelasting komt niet aan de orde, en de holding blijft gewoon onbeperkt vennootschapsbelastingplichtig en inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. Wat wel gebeurt, is dat u bij uw eigen emigratie een conserverende aanslag over het aanmerkelijk belang krijgt. Let hierbij op een bijzonder risico: is de holding tevens een pensioen- of ODV-BV en bent u de enige bestuurder, dan kan de fiscus stellen dat de werkelijke leiding met u meeverhuist, met als gevolg dat het pensioenrecht ineens belast raakt. Draag de directie van zo'n BV daarom tijdig over aan een in Nederland woonachtige persoon.

Wat als ook de leiding van de holding meeverhuist?

Verplaatst de werkelijke leiding van de holding daadwerkelijk naar het buitenland, bijvoorbeeld omdat u de enige bestuurder bent en zelf vertrekt, dan treedt de exitheffing van de vennootschapsbelasting in werking. De vermogensbestanddelen die naar het buitenland worden overgebracht, worden geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer. Afgerekend wordt over de stille reserves, zoals in deelnemingen, onroerend goed of vorderingen, over de fiscale reserves, en over de goodwill die aan de onderneming en aan de leiding is toe te rekenen. De eindafrekeningswinst wordt belast tegen het vennootschapsbelastingtarief, dat in 2026 19 procent bedraagt tot 200.000 euro winst en 25,8 procent daarboven.

Voor de betaling geldt sinds het arrest National Grid Indus van het Hof van Justitie een tegemoetkoming. Bij verplaatsing naar een EU- of EER-lidstaat mag Nederland de belastingschuld wel vaststellen, maar niet meteen invorderen. U kunt kiezen tussen direct betalen, gespreid betalen in tien jaarlijkse termijnen, of uitstel tot de stille reserves daadwerkelijk worden gerealiseerd, waarbij bij de laatste twee varianten invorderingsrente verschuldigd is en zekerheid moet worden gesteld. Bij verplaatsing naar een derde land bestaat dit uitstelrecht niet en is de schuld direct invorderbaar. Verrassend genoeg verdwijnt de holding ook na deze zetelverplaatsing niet uit Nederland: omdat zij naar Nederlands recht is opgericht, blijft zij door de oprichtingsfictie fictief in Nederland gevestigd, blijft zij inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting, en kan de conserverende aanslag van de dga blijven worden ingevorderd.

Hoe werken dividendbelasting en conserverende aanslag samen?

Wanneer de in Nederland gevestigde holding na de emigratie dividend uitkeert aan de geëmigreerde aandeelhouder, lopen twee heffingen door elkaar. Ten eerste houdt de holding 15 procent dividendbelasting in, in beginsel als eindheffing, tenzij een verdrag een lager tarief voorschrijft. Ten tweede wordt het uitstel op de conserverende aanslag naar rato beëindigd. De ingehouden Nederlandse dividendbelasting komt in mindering op de openstaande conserverende aanslag, zodat er per saldo maar een beperkt bedrag hoeft te worden bijbetaald.

Rekenvoorbeeld

Stel, bij emigratie zijn de aandelen 10 miljoen euro waard en wordt daarover een conserverende aanslag opgelegd. In het jaar na emigratie keert de holding 5 miljoen euro dividend uit. Daarover houdt de holding 15 procent Nederlandse dividendbelasting in, 750.000 euro, en heft het nieuwe woonland bijvoorbeeld 7,5 procent, 375.000 euro. De Nederlandse dividendbelasting drukt de openstaande conserverende aanslag, zodat over dit dividend slechts een beperkt saldo van de conserverende aanslag hoeft te worden voldaan. De in het buitenland geheven belasting over hetzelfde dividend leidt echter niet tot kwijtschelding van de conserverende aanslag; alleen buitenlandse belasting over een echte vervreemdingswinst geeft daarop recht.

Juist op dit punt kan internationale dubbele heffing ontstaan, en juist daar zit de kunst van de planning. Om het heffingsrecht te borgen, hanteert Nederland in zijn verdragen bovendien een aanmerkelijkbelangvoorbehoud, dat het toestaat zijn volledige nationale heffing te effectueren zolang de conserverende aanslag openstaat, ook na een zetelverplaatsing.

Welke stappen zet u bij een doordachte emigratie?

Theorie en wetsartikelen zijn onmisbaar, maar de waarde ontstaat pas in de uitvoering. Emigratie met een aanmerkelijk belang en een BV vraagt om een geordend traject, ruim voordat de verhuiswagen voorrijdt. Documenteer vóór vertrek waar uw gezin, uw woning, uw verblijf en uw sociale leven zich bevinden, zodat de feiten en uw bedoeling consistent zijn. Laat het aanmerkelijk belang tijdig en onderbouwd waarderen, want die waardering legt de conserverende aanslag en de step-up vast. Kies bewust wat er met de holding gebeurt, want de plaats van de werkelijke leiding bepaalt of de exitheffing van de vennootschapsbelasting aangaat. Breng de pensioen- en lijfrenteclaims in beeld, met oog voor het verschil tussen het onbeperkte uitstel bij het aanmerkelijk belang en het tienjaarsuitstel bij pensioen en lijfrente. Toets het belastingverdrag met het nieuwe woonland, plan het dividendbeleid na emigratie, en houd de tienjaarstermijn voor de erf- en schenkbelasting in het oog. Een compleet overzicht van alle stappen vindt u in onze Checklist: emigreren uit Nederland →

Op welke wet- en regelgeving is dit gebaseerd?

Deze bijdrage steunt op de Nederlandse wet, het beleid van de Belastingdienst en de rechtspraak. De belangrijkste bepalingen zijn artikel 4 AWR (woonplaats en vestigingsplaats naar omstandigheden); de artikelen 2.1, 2.2, 2.8, 4.16, 4.25, 7.5 tot en met 7.8, 3.83, 3.136, 5.2 en 7.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (belastingplicht, woonplaatsficties, aanmerkelijk belang, step-up, pensioen, lijfrente en box 3); de artikelen 2, vijfde lid, 15c, 15d en 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (vestigingsplaatsfictie, exitheffing en tarief); de artikelen 1 en 5 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (inhoudingsplicht en het tarief van 15 procent); de artikelen 25, 25a, 26 en 28 van de Invorderingswet 1990 (conserverende aanslag, uitstel en invordering); en artikel 3 van de Successiewet 1956 (de tienjaren- en eenjaarregeling). De hoofdlijn van de woonplaatstoets berust op vaste rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder de arresten van 21 januari en 4 maart 2011 voor de particulier en het arrest van 23 september 1992 voor de vennootschap, en op het arrest National Grid Indus van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor de exitheffing.

Waarom dit maatwerk is

De rode draad door dit hele verhaal is dat de kernvragen, waar u woont en waar uw vennootschap is gevestigd, nergens met een eenvoudige rekenregel te beantwoorden zijn. Zij worden beslist op de feiten, gewogen tegen een halve eeuw rechtspraak en gefilterd door de belastingverdragen. Een gelijkluidend advies bestaat daarom niet: de uitkomst hangt af van uw precieze situatie, het gekozen woonland en de structuur die achterblijft. Onze praktijk richt zich op precies die situaties waarin het nationale recht, de ficties en het internationale verdragennetwerk elkaar raken, en waarin de volgorde, de uitvoering en de documentatie het verschil maken tussen een beheerste emigratie en een kostbare verrassing. Overweegt u te vertrekken, of denkt u na over uw structuur, dan is het gesprek dat u het beste voert er een dat begint bij de vraag waar u straks woont, en waar uw BV blijft.

De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Bedragen en percentages gelden voor 2026 en kunnen wijzigen. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.

Volgende
Volgende

Crypto niet aangegeven? Inkeer en belasting in 2026