Gebruikelijk loon dga 2026: hoeveel salaris moet u zichzelf uitkeren?

Het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder bedraagt in 2026 ten minste 58.000 euro. Dat bedrag is geen richtlijn en geen afspraak met de Belastingdienst, maar een wettelijke ondergrens uit artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964. Wie een lager loon wil hanteren, moet zelf aannemelijk maken dat dat zakelijk is. Wie meer verdienende werknemers in dienst heeft of in een sector werkt waar vergelijkbare functies beter betalen, zit juist boven dat bedrag.

Bij de meeste dga's gaat het niet mis bij het normbedrag. Het gaat mis bij alles wat daaromheen staat: de tweede en derde maatstaf die vaak hoger uitvallen dan 58.000 euro, het verdwijnen van de doelmatigheidsmarge in 2023, de vraag wat er gebeurt bij vijf vennootschappen, en de vraag wat de inspecteur precies kan naheffen als het loon achteraf te laag blijkt. Op deze pagina staat de hele regeling, met de wetsartikelen, de rechtspraak en de bedragen voor 2026.

Wat is de gebruikelijkloonregeling precies?

De gebruikelijkloonregeling bepaalt welk loon een werknemer met een aanmerkelijk belang ten minste moet ontvangen van de vennootschap waarvoor hij werkt. De regeling staat in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 en geldt voor iedereen die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft.

De achtergrond is eenvoudig. Zonder zo'n regel zou een dga zichzelf nauwelijks loon kunnen uitkeren en het resultaat van de onderneming volledig als dividend kunnen laten uitkeren of in de vennootschap kunnen laten zitten. Loon wordt belast in box 1 tegen een progressief tarief tot 49,50 procent, dividend wordt eerst met vennootschapsbelasting getroffen en daarna in box 2. Zonder ondergrens zou de vorm van de beloning de belastingdruk bepalen in plaats van de economische werkelijkheid. Artikel 12a legt daarom een bodem in het loon.

De regeling werkt via de loonheffing. Uw bv is inhoudingsplichtig en moet het gebruikelijk loon in de loonaangifte verwerken, ook als het bedrag feitelijk niet is uitbetaald maar in rekening-courant is bijgeschreven.

Hoeveel moet u zichzelf in 2026 minimaal uitkeren?

Voor 2026 bedraagt het normbedrag van artikel 12a, eerste lid, onderdeel c 58.000 euro. Dat bedrag wordt elk jaar aan het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling aangepast met de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De aanpassing voor 2026 is opgenomen in de Bijstellingsregeling directe belastingen 2026 en wordt bevestigd in het Handboek Loonheffingen 2026.

Het normbedrag is een ondergrens, geen doelbedrag. Het is de laagste van drie maatstaven, en de wet schrijft voor dat u de hoogste van die drie neemt. In een onderneming met een goed betaalde werknemer of in een branche waar vergelijkbare functies boven de 58.000 euro liggen, is het gebruikelijk loon hoger. Dat wordt in de praktijk het vaakst over het hoofd gezien.

Hoe verhouden de drie maatstaven zich tot elkaar?

Artikel 12a, eerste lid, verplicht de inhoudingsplichtige het loon ten minste te stellen op het hoogste van drie bedragen.

MaatstafWat het isBedrag in 2026
Onderdeel aHet loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, voor 100 procentAfhankelijk van de functie en de branche
Onderdeel bHet hoogste loon van de werknemers van de vennootschap of van een verbonden lichaamAfhankelijk van uw personeelsbestand
Onderdeel cHet vaste normbedrag58.000 euro

Er is geen rangorde in de zin dat één maatstaf altijd voorgaat. De rangorde wordt bepaald door de uitkomst: de hoogste van de drie is de ondergrens. Voor maatstaf b is een lichaam verbonden bij een belang van ten minste een derde, op grond van artikel 12a, vijfde lid, onderdeel d, gelezen in samenhang met artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dat betekent dat het hoge salaris van een werknemer in een dochtermaatschappij ook meetelt.

Op die hoofdregel bestaat één tegenbewijs. Maakt u aannemelijk dat het bedrag dat uit het eerste lid volgt hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, dan wordt het loon op dat lagere bedrag gesteld. Dat staat in artikel 12a, tweede lid. Verder naar beneden dan de meest vergelijkbare dienstbetrekking komt u langs deze weg niet.

Wat is de meest vergelijkbare dienstbetrekking?

De meest vergelijkbare dienstbetrekking is gedefinieerd in artikel 12a, vijfde lid, onderdeel c. Het gaat om de dienstbetrekking die van alle bij u en de inspecteur bekende dienstbetrekkingen het meest lijkt op die van u, waarbij vier voorwaarden gelden: er speelt geen aanmerkelijk belang, de dienstbetrekking is bij beide partijen bekend, het loon is bekend of redelijkerwijs te schatten, en het loon is niet op een ander bedrag vastgesteld dan in het economische verkeer gebruikelijk is. Die laatste voorwaarde sluit bijvoorbeeld dienstbetrekkingen binnen de familie uit.

Dit begrip verving met ingang van het Belastingplan 2015 het oude criterium van de soortgelijke dienstbetrekking. Dat is meer dan een woordwijziging. Een soortgelijke dienstbetrekking kon ontbreken, en dat was het klassieke verweer van de vrije beroepsbeoefenaar: een orthodontist met een eigen praktijk heeft geen soortgelijke werknemer. Een meest vergelijkbare dienstbetrekking bestaat daarentegen altijd. Het loon van diezelfde orthodontist kan dus worden afgeleid van het loon van een tandarts in loondienst.

De Kennisgroep loonheffing heeft in standpunt KG:204:2025:10 bevestigd dat het gebruikelijk loon van een werknemer met een aanmerkelijk belang in beginsel wordt gesteld op het loon van de meestverdienende werknemer, ook als die werknemer zelf een aanmerkelijk belang heeft. Tegenbewijs via de meest vergelijkbare dienstbetrekking blijft daarbij openstaan.

Wie moet wat bewijzen?

Het normbedrag werkt als bewijsregel, en die regel snijdt twee kanten op. Wilt u een lager loon hanteren dan uit het eerste lid volgt, dan rust op u de bewijslast dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is. Dat is nog eens bevestigd door Hof Den Haag op 13 mei 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:1599). Wil de inspecteur juist een hoger loon vaststellen, dan moet hij aannemelijk maken dat het loon hoger ligt.

Doet de inspecteur dat op basis van een andere meest vergelijkbare dienstbetrekking, dan verplicht artikel 12a, zesde lid, hem om u ten minste de criteria te overleggen op grond waarvan hij die dienstbetrekking als de meest vergelijkbare heeft aangemerkt. Denk aan branche, bedrijfsgrootte gemeten in werknemers of omzet, werkpakket en verantwoordelijkheden. Dat is een reëel aanknopingspunt in een discussie: zonder die onderbouwing staat de correctie zwak. Beide partijen mogen steeds proberen een nog beter vergelijkbare dienstbetrekking aannemelijk te maken.

Waarom is de doelmatigheidsmarge van 25 procent verdwenen?

Tot en met 2022 mocht het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking op 75 procent worden gesteld. Die 25 procent heette de doelmatigheidsmarge en functioneerde in de praktijk als veiligheidsmarge in de discussie met de inspecteur. Met ingang van 1 januari 2023 is die marge in het Belastingplan 2023 volledig afgeschaft. Maatstaf a bedraagt sindsdien 100 procent.

Twee gevolgen worden vaak onderschat. Ten eerste had de marge nooit betrekking op lonen op of onder het normbedrag: zij speelde alleen een rol bij de hogere lonen waarvoor het tegenbewijs was ingeroepen. Wie destijds op het normbedrag zat, merkte er dus niets van, en wie erboven zat des te meer. Ten tweede werken bestaande afspraken door. Is met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin 75 procent van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is vastgelegd, dan moet die afspraak voor de resterende looptijd vanaf 2023 worden gelezen alsof 100 procent geldt. Een oude vso is dus geen bescherming meer.

Geldt de afroommethode nog?

Nauwelijks. De afroommethode leidt het gebruikelijk loon af van de opbrengst van de vennootschap, verminderd met kosten, lasten en een winstmarge, en werd vooral toegepast bij eenpitters wier omzet vrijwel geheel uit eigen arbeid voortkwam. De Hoge Raad heeft op 24 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1269, BNB 2016/182) beslist dat de vergelijkingsmethode voorrang heeft.

Omdat de meest vergelijkbare dienstbetrekking altijd bestaat, is de afroommethode als zelfstandige methode grotendeels obsoleet geworden. Zij kan nog dienen als controlemiddel of in overleg worden gebruikt, maar een correctie die uitsluitend op afroming steunt, houdt in beginsel geen stand.

Wanneer mag u een lager gebruikelijk loon hanteren?

De wettelijke ingang is artikel 12a, tweede lid: u maakt aannemelijk dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is. Daarnaast aanvaardt de rechtspraak een verlaging als uitbetaling van het volledige loon de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen. Verlies alleen is niet genoeg, het gaat om de vraag of betaling feitelijk mogelijk is.

Hof Den Haag oordeelde op 1 oktober 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:2591) in een sprekende zaak. Uitbetaling van een gebruikelijk loon van 25.000 euro in een verliesjaar zou niet alleen alle liquiditeiten hebben opgeslokt maar ook voorraden en bedrijfsmiddelen, en zou dus tot onmiddellijke discontinuïteit hebben geleid. Het gebruikelijk loon werd in goede justitie vastgesteld op 7.500 euro. Diezelfde uitspraak bevat een principiële overweging die de moeite waard is: artikel 12a strekt er niet toe dat meer wordt geheven dan wat de dga gedurende de levensduur van de vennootschap per saldo geniet aan loon en voordelen uit aanmerkelijk belang. Tegelijk sloot het bestaan van in eerdere jaren opgebouwde winstreserves een verlaging tot nihil uit.

De les voor de praktijk is dat de onderbouwing in het jaar zelf moet worden vastgelegd. Een liquiditeitspositie die drie jaar later wordt gereconstrueerd, overtuigt zelden.

Wat geldt er voor een startende onderneming?

De wettelijke versoepeling voor innovatieve start-ups bestaat niet meer. Van 2017 tot en met 2022 mocht de dga van een lichaam met een S&O-verklaring dat ook S&O-starter was het gebruikelijk loon gedurende maximaal drie kalenderjaren op het wettelijk minimumloon stellen. Na een negatieve evaluatie is die regeling per 1 januari 2023 vervallen. Het overgangsrecht voor wie er vóór 2023 al gebruik van maakte, is per 1 januari 2025 eveneens vervallen.

Wat wel is gebleven, is de beleidsmatige tegemoetkoming in het Handboek Loonheffingen 2026. Startende ondernemingen die niet aan de S&O-voorwaarden voldoen, mogen gedurende maximaal drie jaar uitgaan van een lager gebruikelijk loon als betaling van het volledige bedrag door het opstarten van de onderneming niet mogelijk is, bijvoorbeeld door hoge investeringen of een lage kasstroom. De ondergrens is dan het wettelijk minimumloon dat past bij het aantal gewerkte uren. Dat is een beleidsmatige tegemoetkoming en geen wettelijk recht, wat betekent dat de feitelijke onderbouwing zwaarder weegt dan bij een wettelijke regeling.

Werkt u in deeltijd? Zo rekent u de deeltijdfactor uit

Deeltijd verlaagt het gebruikelijk loon niet automatisch. Het normbedrag van 58.000 euro kent geen deeltijdfactor. U kunt alleen lager uitkomen door aannemelijk te maken dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, herrekend naar uw deeltijdfactor, lager is.

Het Handboek Loonheffingen 2026 geeft het rekenvoorbeeld. Werkt u twee dagen per week en bedraagt het voltijdsloon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking 60.000 euro, dan mag het gebruikelijk loon worden gesteld op tweevijfde daarvan, dus 24.000 euro. Merk op dat de deeltijdfactor wordt losgelaten op de vergelijkbare dienstbetrekking en niet op het normbedrag.

De bewijslast voor zowel de deeltijdfactor als de bijbehorende lagere beloning ligt bij u. Rechtbank Den Haag oordeelde op 11 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13092) en Rechtbank Gelderland op 10 juli 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:5528) dat de enkele omstandigheid dat de dga ouder is of feitelijk met pensioen gaat, onvoldoende is om een deeltijdfactor aannemelijk te achten. Een urenregistratie, een aangepaste arbeidsovereenkomst en een gewijzigde taakverdeling zijn dat wel.

Wat als u meerdere vennootschappen heeft?

Heeft u in meerdere vennootschappen een aanmerkelijk belang en verricht u voor elk van die vennootschappen arbeid, dan geldt artikel 12a per aanmerkelijk belang afzonderlijk. Per vennootschap wordt zelfstandig vastgesteld wat het gebruikelijk loon is, inclusief de toets aan het loon van de meestverdienende werknemer bij die vennootschap en haar verbonden lichamen.

Dat werkt sterk belastingverhogend. Een dga met vijf onderling niet-verbonden vennootschappen ontvangt in beginsel van elk van die vijf een gebruikelijk loon van minimaal 58.000 euro. In een structuur die organisch is gegroeid, bijvoorbeeld door per project of per pand een aparte bv op te richten, ontstaat zo een loonverplichting die niemand heeft bedoeld. De oplossing ligt meestal in de structuur zelf en in de doorbetaaldloonregeling.

Hoe voorkomt de doorbetaaldloonregeling dat u meerdere keren loon opneemt?

Artikel 12a, derde lid, bepaalt dat wanneer de doorbetaaldloonregeling van artikel 32d van toepassing is, de eerste twee leden worden toegepast alsof de arbeid voor de andere lichamen is verricht voor de inhoudingsplichtige die het loon geacht wordt te verstrekken. In de praktijk is dat de personal holding.

Artikel 32d regelt de doorbetaaldloonregeling zelf: de werkmaatschappij draagt het verschuldigde loon rechtstreeks af aan de holding, die als inhoudingsplichtige wordt behandeld, en de werkmaatschappij doet geen verstrekkingen aan u buiten medeweten van de holding. Voorwaarde is dat u uit hoofde van uw dienstbetrekking bij de holding ook werkzaam bent bij de werkmaatschappij. Voor dga's met een aanmerkelijk belang in zowel de holding als de werkmaatschappij is geen beschikking van de inspecteur nodig, op grond van artikel 32d, vierde lid.

Het gevolg is dat alle arbeid voor de werkmaatschappijen wordt samengeteld alsof zij voor de holding is verricht. Er wordt dan éénmaal beoordeeld wat het gebruikelijk loon is. Bovendien telt bij die beoordeling alleen het loon mee van werknemers van met de holding verbonden lichamen, en niet meer het loon van werknemers van werkmaatschappijen die geen verbonden lichaam van de holding zijn. Dat is bevestigd door de Hoge Raad op 28 november 2014 (BNB 2015/31). Voor wie een holding boven meerdere deelnemingen heeft, is dit vaak de belangrijkste ingreep die er is.

Geldt de regeling ook voor uw partner?

Ja. Artikel 12a, eerste lid, spreekt van de werknemer die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Voor het partnerbegrip verwijst artikel 12a, vijfde lid, onderdeel a, naar artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarnaast kan de arbeidsverhouding op grond van artikel 4, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 als fictieve dienstbetrekking worden aangemerkt.

De regeling werkt voor de partner op precies dezelfde manier als voor de aanmerkelijkbelanghouder zelf, met dezelfde drie maatstaven en dezelfde bewijslastverdeling. De partner die meewerkt in de bv van de ander valt dus onder de inhoudingsplicht, ook zonder eigen aandelenbelang. Werkt de partner beperkt mee, dan loopt de verlaging opnieuw via de meest vergelijkbare dienstbetrekking en de deeltijdfactor, niet via een evenredig deel van het normbedrag.

Loon of dividend: wat is fiscaal voordeliger?

Boven het gebruikelijk loon heeft u een keuze, en die keuze is smaller geworden dan veel dga's denken. Loon wordt belast in box 1. Voor 2026 geldt in de eerste schijf tot 38.883 euro een gecombineerd tarief van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen van ongeveer 37,65 procent, in de tweede schijf tot 78.426 euro een tarief van 37,56 procent en daarboven het toptarief van 49,50 procent.

Dividend loopt via box 2. Daar geldt sinds 2024 een tweeschijventarief dat in 2026 is gecontinueerd: 24,5 procent tot 68.843 euro en 31 procent daarboven. Bij fiscaal partnerschap is inkomen uit aanmerkelijk belang een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, zodat beide partners de eerste schijf kunnen benutten en de gezamenlijke tariefgrens effectief 137.686 euro bedraagt.

Wie de vennootschapsbelasting meetelt, komt aan de bovenkant uit op een gecombineerde druk in box 2 van ongeveer 48,80 procent, tegenover 49,50 procent in box 1. Het verschil in tarief is dus klein. De werkelijke afweging zit ergens anders: in het uitstel dat een dividendbeslissing geeft, in de heffingskortingen en toeslagen die aan het box 1-inkomen hangen, in de pensioenopbouw en arbeidsongeschiktheidsdekking die aan loon vastzitten, en in de vraag of de vennootschap de uitkering wel kan dragen. Daarover leest u meer in Overtollig vermogen in de bv →.

Wat betekent het gebruikelijk loon voor uw pensioenopbouw?

Het gebruikelijk loon is loon, en dus in beginsel pensioengevend. Daarbij geldt wel een fiscaal maximum. Op grond van artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bedraagt het maximum pensioengevend loon in 2026 137.800 euro. Dat bedrag is via het amendement Grinwis bij het Belastingplan 2025 bevroren op het niveau van 2024, en die bevriezing is bevestigd in de Bijstellingsregeling directe belastingen 2026.

Over pensioengevend loon boven dat maximum wordt de omkeerregel niet toegepast. De aanspraak boven het maximum valt buiten de tweede pijler en komt in box 3 terecht, of loopt via de nettopensioenregeling. Voor de dga met een hoog loon is dat een reden om de pensioenopbouw en de loonhoogte in samenhang te bekijken in plaats van los.

Wat gebeurt er als het gebruikelijk loon te laag is vastgesteld?

De inspecteur kan naheffen. De bevoegdheid tot naheffing van loonheffingen vervalt op grond van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De verlengde termijn van twaalf jaar geldt uitsluitend bij verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken en speelt hier dus niet.

Een naheffingsaanslag wordt in beginsel opgelegd via de eindheffingsregeling van artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964. Loonbestanddelen waarover de verschuldigde belasting niet is betaald, worden dan tegen het gebruteerde tabeltarief nageheven ten laste van de bv. Bruteren maakt het duur: de vennootschap draagt de belasting over de belasting. U kunt op grond van datzelfde artikel verzoeken om individuele naheffing ten name van uzelf als werknemer, en in dat geval is de heffing op u verhaalbaar. Welke route gunstiger is, hangt af van de vraag wie de last uiteindelijk moet dragen en van uw eigen tariefpositie.

SanctieGrondslagOmvang
Verzuimboete bij te weinig betaalde loonheffingenArtikel 67c, eerste lid, AWRTen hoogste 6.709 euro. In de praktijk 3 procent van het niet betaalde bedrag, met een minimum van 50 euro
Vergrijpboete bij opzet of grove schuldArtikel 67f, eerste lid, AWRTen hoogste 100 procent van de niet betaalde belasting
BelastingrenteHoofdstuk VA AWRVanaf 1 januari van het jaar volgend op het belastingjaar tot de betaaldatum van de aanslag

Een vergrijpboete is geen theoretisch risico. In de rechtspraak wordt zij aanvaard bij het bewust te laag houden van het gebruikelijk loon, bijvoorbeeld door een ongebruikelijke splitsing van werkzaamheden over vennootschappen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde zo op 7 oktober 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:6806). De belastingrente doet daar nog een schep bovenop en loopt door over meerdere jaren tegelijk, wat correcties over een reeks van jaren onevenredig duur maakt in verhouding tot de hoofdsom.

Corrigeert de Belastingdienst in de loonheffing of in de inkomstenbelasting?

Dat is een keuze van de inspecteur. Naheffing van ten onrechte niet ingehouden loonbelasting kan niet plaatsvinden als het desbetreffende loonbestanddeel al in de heffing van inkomstenbelasting bij u is betrokken. Omgekeerd staat de heffing van inkomstenbelasting niet in de weg aan naheffing van wel ingehouden maar niet afgedragen loonbelasting.

Correctie via de aanslag inkomstenbelasting is ook mogelijk wanneer naheffing niet het geëigende instrument is. De inspecteur heeft keuzevrijheid tussen een naheffingsaanslag in de loonheffing en een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting, en is niet verplicht de loonheffingroute te kiezen als de correctie in de inkomstenbelasting is af te rekenen. Voor u is dat relevant omdat de twee routes verschillende termijnen, verschillende boetegrondslagen en een verschillende debiteur kennen: bij de loonheffing is dat de bv, bij de inkomstenbelasting bent u dat zelf.

Hoe werkt het als u in het buitenland woont of uw bv daar is gevestigd?

De vennootschap is in het buitenland gevestigd

Artikel 12a knoopt aan bij een lichaam waarin u of uw partner een aanmerkelijk belang heeft, en veronderstelt dat op dat lichaam inhoudingsplicht rust. Voor een in het buitenland gevestigde vennootschap geldt op grond van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 dat een buitenlandse werkgever slechts inhoudingsplichtig is als hij in Nederland een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger heeft. Ontbreekt die, dan is er geen inhoudingsplicht en is de loonbelastingweg geblokkeerd.

Dat betekent niet dat het gebruikelijk loon verdwijnt. De in Nederland wonende dga die arbeid verricht voor zijn buitenlandse bv moet zijn fictief gebruikelijk loon dan in de inkomstenbelasting verantwoorden, tenzij de fictiebepalingen niet van toepassing zijn. De Hoge Raad heeft in een reeks arresten, waaronder 5 september 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AE8398), 9 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW4756) en 18 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2497), beslist dat de gebruikelijkloonfictie niet altijd doorwerkt bij toepassing van belastingverdragen. Of zij doorwerkt hangt af van de aard van de voordelen en van de toewijzingsregels in het concrete verdrag. Werkt de fictie een ongeoorloofde eenzijdige verschuiving van heffingsbevoegdheden in de hand, in strijd met de goede verdragstrouw, dan werkt zij niet door.

U woont in het buitenland

Woont u buiten Nederland en verricht u werkzaamheden voor een in Nederland gevestigde bv, dan bent u buitenlands belastingplichtig in de zin van artikel 7.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belast wordt dan uw Nederlandse inkomen, waaronder het belastbare loon voor in Nederland verrichte arbeid en het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.

Voor bestuurders is dat ruimer dan het lijkt. Onder de meeste belastingverdragen wordt het bestuurdersloon van een buitenlandse dga van een Nederlandse bv volledig aan Nederland toegewezen via het bestuurders- en commissarissenartikel. De gebruikelijkloonregeling kan dus ook op de buitenlandse dga van toepassing zijn, mits de Nederlandse bv inhoudingsplichtig is. Ook de doorbetaaldloonregeling van artikel 32d, tweede lid, staat open voor een in het buitenland wonende dga, mits het heffingsrecht daardoor niet verloren gaat. Zie voor de bredere context Fiscale woonplaats van particulier en bv bij emigratie →.

Wat is het verband met de Wet excessief lenen?

Het verband is praktisch en het wordt vaak te laat gelegd. Een dga die zichzelf een laag loon toekent, moet toch leven, en dekt het verschil dan af via de rekening-courant met de bv. Sinds de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap per 1 januari 2023 in werking is getreden, loopt dat vast op een harde grens.

Op grond van artikel 4.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt het maximumbedrag 500.000 euro, geldend voor u en uw partner gezamenlijk. Dat bedrag geldt vanaf de peildatum 31 december 2024; voor de eerste peildatum in 2023 gold nog 700.000 euro, dat via het amendement Grinwis bij het Belastingplan 2024 is verlaagd. Het bovenmatige deel van de schulden wordt op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, aangemerkt als fictief regulier voordeel en belast in box 2, dus tegen 24,5 procent over de eerste 68.843 euro en 31 procent daarboven. Het voordeel kan bij aflossing ook negatief zijn, en een eerder in aanmerking genomen positief voordeel verhoogt het maximumbedrag voor latere jaren.

Rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:18512) geoordeeld dat de regeling niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Voor de dga die in België woont, heeft de Kennisgroep internationaal belastingrecht op 28 mei 2025 (KG:041:2025:4) vastgesteld dat Nederland op grond van het belastingverdrag met België niet mag heffen over het fictieve reguliere voordeel, omdat doorwerking van deze fictie in strijd is met de goede verdragstrouw. De samenhang met het gebruikelijk loon staat uitgewerkt in De Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap →.

Hoe legt u het gebruikelijk loon vast?

Drie dingen maken in een discussie het verschil, en alle drie moeten in het jaar zelf zijn vastgelegd. Ten eerste de onderbouwing van de meest vergelijkbare dienstbetrekking: welke functie, in welke branche, bij welke bedrijfsgrootte, met welke bron voor het loonniveau. Ten tweede, als u onder het normbedrag zit, de cijfermatige onderbouwing waarom betaling van een hoger loon de continuïteit zou raken, met de liquiditeitspositie en de reservepositie van dat jaar. Ten derde, bij deeltijd, een urenonderbouwing die niet alleen uit uw eigen verklaring bestaat.

Een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst geeft zekerheid voor de looptijd, maar houd er rekening mee dat een wetswijziging erdoorheen kan snijden, zoals bij de doelmatigheidsmarge is gebeurd. Verwerk het gebruikelijk loon vervolgens consequent in de loonaangifte, ook als het bedrag niet in geld wordt uitbetaald maar in rekening-courant wordt geboekt. Wij verzorgen die loonaangifte en salarisadministratie desgewenst zelf, zodat de vastlegging en de aangifte niet uit elkaar lopen.

Kerncijfers 2026 op een rij

Onderwerp2026Grondslag
Normbedrag gebruikelijk loon58.000 euroArtikel 12a, eerste lid, onderdeel c, Wet LB 1964
Percentage meest vergelijkbare dienstbetrekking100 procentDoelmatigheidsmarge vervallen per 2023
VerbondenheidsgrensBelang van ten minste een derdeArtikel 12a, vijfde lid, onderdeel d, jo. artikel 10a, zevende lid
Box 1, eerste schijfTot 38.883 euro, ongeveer 37,65 procent gecombineerdArtikel 2.10 Wet IB 2001
Box 1, tweede schijf38.883 tot 78.426 euro, 37,56 procentArtikel 2.10 Wet IB 2001
Box 1, toptariefBoven 78.426 euro, 49,50 procentArtikel 2.10 Wet IB 2001
Box 2, eerste schijfTot 68.843 euro, 24,5 procentArtikel 2.12 Wet IB 2001
Box 2, tweede schijfBoven 68.843 euro, 31 procentArtikel 2.12 Wet IB 2001
Maximum pensioengevend loon137.800 euroArtikel 18ga, eerste lid, Wet LB 1964
Drempel excessief lenen500.000 euroArtikel 4.14a, tweede lid, Wet IB 2001
Naheffingstermijn loonheffingenVijf jaarArtikel 20, derde lid, AWR
Maximum verzuimboete6.709 euroArtikel 67c, eerste lid, AWR
Maximum vergrijpboete100 procent van de niet betaalde belastingArtikel 67f, eerste lid, AWR

Veelgestelde vragen over het gebruikelijk loon

Hoeveel salaris moet een dga in 2026 minimaal opnemen?

Ten minste 58.000 euro, tenzij een van de twee andere maatstaven hoger uitvalt of u aannemelijk maakt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is. Het bedrag volgt uit artikel 12a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Geldt het gebruikelijk loon ook als de bv geen winst maakt?

Ja, de regeling geldt ook in een verliesjaar. Wel kan een lager loon zakelijk zijn als uitbetaling de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen. Dat moet u met de cijfers van dat jaar onderbouwen, en aanwezige winstreserves staan aan een verlaging tot nihil in de weg.

Mag ik het gebruikelijk loon verlagen omdat ik in deeltijd werk?

Niet rechtstreeks. Het normbedrag kent geen deeltijdfactor. U kunt alleen lager uitkomen door aan te tonen dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, herrekend naar uw deeltijdfactor, lager is. Enkel uw leeftijd of het feit dat u minder bent gaan werken, is daarvoor onvoldoende.

Moet ik het gebruikelijk loon ook echt uitbetalen?

Het loon moet in de loonaangifte worden verwerkt en de loonheffingen moeten worden afgedragen. Boeking in rekening-courant in plaats van uitbetaling in geld is mogelijk, maar houd daarbij de grens van 500.000 euro uit de Wet excessief lenen in de gaten.

Heb ik voor elke bv een apart gebruikelijk loon nodig?

In beginsel wel: artikel 12a geldt per aanmerkelijk belang afzonderlijk. Met de doorbetaaldloonregeling van artikel 32d wordt alle arbeid samengeteld alsof zij voor de holding is verricht, zodat het gebruikelijk loon eenmaal wordt beoordeeld. Voor dga's met een aanmerkelijk belang in zowel holding als werkmaatschappij is daarvoor geen beschikking van de inspecteur nodig.

Bestaat de doelmatigheidsmarge van 25 procent nog?

Nee, die is per 1 januari 2023 afgeschaft. Het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking telt sindsdien voor 100 procent. Een oudere vaststellingsovereenkomst waarin 75 procent is afgesproken, moet vanaf 2023 als 100 procent worden gelezen.

Wat kan de Belastingdienst naheffen bij een te laag gebruikelijk loon?

Tot vijf jaar terug, in beginsel via eindheffing tegen het gebruteerde tabeltarief ten laste van de bv. Daarbovenop komt een verzuimboete van ten hoogste 6.709 euro, of bij opzet of grove schuld een vergrijpboete tot 100 procent van de niet betaalde belasting, plus belastingrente.

Geldt de gebruikelijkloonregeling ook voor mijn partner?

Ja. De regeling ziet op de werknemer die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Uw meewerkende partner valt daarmee onder dezelfde drie maatstaven en dezelfde bewijslastverdeling, ook zonder eigen aandelenbelang.

Bestaat de startersregeling voor het gebruikelijk loon nog?

De wettelijke regeling voor innovatieve start-ups is per 2023 vervallen en het overgangsrecht per 2025. Beleidsmatig mag een startende onderneming nog maximaal drie jaar een lager gebruikelijk loon hanteren als betaling niet mogelijk is, met het wettelijk minimumloon naar rato van de uren als ondergrens.

Wat is voordeliger, loon of dividend?

Aan de bovenkant liggen de tarieven dicht bij elkaar: ongeveer 48,80 procent gecombineerd in box 2 tegen 49,50 procent in box 1. De afweging draait daarom zelden om het tarief alleen, maar om uitstel, pensioenopbouw, heffingskortingen en de vraag of de vennootschap de uitkering kan dragen.

Waarom dit maatwerk is

Het normbedrag is het makkelijke deel. De discussie gaat vrijwel altijd over de meest vergelijkbare dienstbetrekking, over de vraag of de deeltijdfactor houdbaar is, over de structuur met meerdere vennootschappen en over de onderbouwing die er in het jaar zelf had moeten liggen. Dat zijn vragen waarbij de uitkomst afhangt van feiten die u vastlegt, niet van een tabel.

Wij beoordelen de loonpositie van dga's, onderbouwen het gebruikelijk loon richting de Belastingdienst en voeren desgewenst ook de salarisadministratie, de loonaangifte en de aangiften vennootschaps- en inkomstenbelasting zelf uit. Dat kan naast uw huidige accountant, of in zijn plaats. Wilt u eerst weten hoe uw eigen positie ervoor staat, dan is de review fiscale positie bv en dga daarvoor het snelste startpunt.

De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Bedragen en percentages gelden voor 2026 en kunnen wijzigen. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.

Vorige
Vorige

Melding betalingsonmacht: wat doet u als de bv de belasting niet kan betalen?

Volgende
Volgende

Fiscale woonplaats van particulier en BV: wat verandert er bij emigratie? (2026)