De dga en overtollig vermogen: dividend, beleggen in de bv of privé?

Een directeur-grootaandeelhouder die winst heeft opgepot in de bv, komt vroeg of laat bij dezelfde vraag: wat doe ik met dat overtollige vermogen? Laat ik het in de bv en beleg ik het daar, keer ik het als dividend uit naar privé, of haal ik het op een andere manier naar buiten? De drie routes pakken fiscaal wezenlijk anders uit, en de verkeerde reflex, geld zo lang mogelijk in de bv laten omdat uitkeren belasting kost, is lang niet altijd de voordeligste. Deze bijdrage zet de afweging op een rij, met de cijfers van 2026, en behandelt de valkuil die veel dga's over het hoofd zien: de Wet excessief lenen.

Voor de bredere vergelijking tussen box 3 en de bv bij beleggen verwijzen wij naar Beleggen in box 3 of via een bv: wat is fiscaal voordeliger? →. Deze bijdrage kijkt specifiek door de ogen van de dga met overtollig vermogen.

Route 1: dividend uitkeren naar privé

Keert u het overtollige vermogen uit als dividend, dan haalt u het uit de bv en ontvangt u het in privé. Daarover is inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd, tegen het aanmerkelijkbelangtarief: in 2026 geldt 24,5% over de eerste € 68.843 per persoon en 31% over het meerdere. Bij de uitkering houdt de bv dividendbelasting in, die in beginsel verrekenbaar is met uw inkomstenbelasting, zodat zij geen extra last vormt maar een voorheffing.

Uitkeren is de aangewezen route wanneer u het vermogen privé wilt besteden of buiten de bv wilt beleggen. De box 2-heffing die u dan betaalt, is geen verlies maar het naar voren halen van een claim die er hoe dan ook lag: op elke euro winstreserve in de bv rust immers een latente box 2-claim. De vraag is dus niet óf, maar wanneer u die betaalt, en of het uitstel in de bv u werkelijk iets oplevert.

Route 2: beleggen binnen de bv

Laat u het vermogen in de bv en belegt u het daar, dan wordt het rendement eerst belast met vennootschapsbelasting, 19% tot € 200.000 winst en 25,8% over het meerdere. Wat overblijft kan in de bv aangroeien of later alsnog worden uitgekeerd, waarna de box 2-heffing volgt. Uiteindelijk drukken dus twee lagen op het rendement, en de gecombineerde druk kan oplopen tot ongeveer 39% in de eerste schijf tot bijna 49% bij de hoogste winsten.

Toch heeft deze route echte voordelen, die niets met het tarief te maken hebben. Het eerste is uitstel: zolang u geen dividend uitkeert, betaalt u alleen vennootschapsbelasting en schuift u de box 2-heffing voor u uit, in beginsel tot verkoop, uitkering of overlijden. Het tweede is verliesverrekening: een beleggingsverlies in de bv kan worden verrekend met winsten uit andere jaren, terwijl box 3 zo'n verrekening over de jaargrens niet kent. De bv is daarmee vooral aantrekkelijk wanneer u de kans op tijdelijke verliezen reëel acht, of wanneer u het uitstel bewust wilt benutten en het geld voorlopig niet privé nodig hebt.

Route 3: uitkeren en privé beleggen in box 3

Brengt u het vermogen na een dividenduitkering naar privé en belegt u het daar, dan valt het in box 3. Daar wordt jaarlijks geheven over een forfaitair rendement, in 2026 tegen 1,28% voor banktegoeden, 6,00% voor overige bezittingen en een aftrek van 2,70% voor schulden, met een tarief van 36% en een heffingvrij vermogen van € 59.357 per persoon. Sinds de rechtspraak van de Hoge Raad geldt bovendien de tegenbewijsregeling: is uw werkelijke rendement lager dan het forfaitaire, dan wordt over dat lagere werkelijke rendement geheven.

Het grote voordeel van deze route is dat de dubbele heffing van de bv vervalt: na de eenmalige box 2-afrekening bij uitkering is er nog maar één laag, de box 3-heffing. Juist bij hogere rendementen werkt het forfait daarbij als een plafond, waardoor de effectieve druk laag kan uitvallen. Daar staat tegenover dat box 3 geen verliesverrekening over de jaargrens kent en koersverliezen in beginsel niet aftrekbaar zijn, behalve via de tegenbewijsregeling wanneer het werkelijke rendement lager is. Privé beleggen is daarmee fiscaal aantrekkelijk bij een stabiel of hoog rendement, terwijl de bv juist bij verliesrisico of uitstelbehoefte in beeld komt.

Welke route is wanneer voordelig?

De drie routes bedienen verschillende situaties. Beleggen in de bv is aantrekkelijk wanneer er kans is op tijdelijke verliezen, omdat die verrekenbaar zijn, of wanneer u het uitstel van de box 2-heffing bewust wilt benutten. Privé beleggen in box 3 is aantrekkelijk bij een laag of stabiel rendement, omdat de tegenbewijsregeling en het forfaitaire plafond de druk beperken en de dubbele heffing van de bv wegvalt. En dividend uitkeren is simpelweg noodzakelijk wanneer u het vermogen privé wilt gebruiken of buiten de bv wilt beleggen.

Een rekenvoorbeeld met de cijfers van 2026 maakt het contrast concreet. Bij een belegd vermogen van een miljoen euro en een rendement van vier procent kan de effectieve druk in box 3 rond de vijftien procent van het rendement liggen, afhankelijk van de mix van bezittingen en schulden. Datzelfde vermogen dat binnen de bv wordt belegd en vervolgens wordt uitgekeerd, kent een gecombineerde druk van ongeveer 38,85% na vennootschapsbelasting en box 2. Het verschil is aanzienlijk, en het verklaart waarom "geld in de bv laten" bij een normaal rendement vaak duurder uitpakt dan het uit te keren en privé te beleggen.

De valkuil: lenen van de eigen bv en de Wet excessief lenen

Er is een vierde reflex die veel dga's hebben, en die sinds enkele jaren gevaarlijk is geworden: het vermogen niet uitkeren, maar lénen van de eigen bv. Zo lijkt u het geld privé te kunnen gebruiken zonder box 2-heffing. De Wet excessief lenen heeft die route grotendeels afgesneden. Sinds de invoering geldt een drempel, aanvankelijk € 700.000 en per 31 december 2024 verlaagd naar € 500.000: leent u boven dat bedrag van uw eigen vennootschap, dan wordt het meerdere aangemerkt als een fictief regulier voordeel en belast in box 2, alsof u het had uitgekeerd.

Het gevolg is dat lenen als manier om box 2 te ontlopen niet meer werkt boven die grens. Wie een eigenwoningschuld of een grote privélening bij de eigen bv heeft, moet die grens scherp in de gaten houden, want overschrijding leidt tot heffing zonder dat er een euro is uitgekeerd. Daarbij geldt bovendien dat alle transacties tussen u en uw bv, leningen incluis, zakelijk moeten zijn: een onzakelijke lening kan tot correcties en aanvullende heffing leiden. De Wet excessief lenen maakt de afweging tussen uitkeren, beleggen en lenen daarmee scherper dan voorheen, omdat de ontsnappingsroute grotendeels is dichtgezet.

Overtollig vermogen is een afweging, geen automatisme

Wat de dga met overtollig vermogen doet, laat zich niet met een vuistregel beslissen. Beleggen in de bv loont bij verliesrisico en uitstelbehoefte, privé beleggen in box 3 bij een stabiel of hoog rendement, en uitkeren zodra u het vermogen privé nodig hebt, waarbij de box 2-claim toch al onvermijdelijk was. De Wet excessief lenen heeft de sluiproute van het lenen grotendeels gesloten, wat de keuze eerlijker maar ook dwingender maakt. Doorslaggevend zijn uw rendement, uw behoefte aan privévermogen, uw verwachting over verliezen en de kosten van het aanhouden van de bv.

Onze praktijk rekent die routes voor u door met de actuele cijfers, en betrekt daarbij de latente box 2-claim, de excessief-lenen-grens en, wanneer een toekomstig vertrek uit Nederland speelt, de conserverende aanslag die op uw aanmerkelijk belang rust. Dat laatste aspect lichten wij toe in De conserverende aanslag bij emigratie van de DGA →. Zo wordt de beslissing over uw overtollige vermogen er een van samenhang, niet van reflex.

De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Bedragen en percentages gelden voor 2026 en kunnen wijzigen. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.

Vorige
Vorige

Uw woning overdragen aan de kinderen: schenken, verkopen of nalaten?

Volgende
Volgende

Vastgoed in de bv of in box 3: wat is fiscaal verstandiger?