Drie blinde hoeken voor de Nederlandse toeleverancier in de Surinaamse olie- en gasketen
De cliënt riep mij er last minute bij: of ik wilde aanschuiven voor een second opinion bij het voorstel van haar huisadviseur. De onderneming: een Nederlandse toeleverancier, op weg naar de Surinaamse olie- en gasketen.
Glazen toren, parket in visgraat, kunst aan de muur waarover ongetwijfeld een commissie had vergaderd. Aan een tafel van massief notenhout schakelt de videoconferencing zichzelf geruisloos in, en projecteert het smartboard de structuur in vijf kleuren: vijf vennootschappen, drie overeenkomsten, één pijl richting Paramaribo.
Het schema was elegant. De berekening sluitend.
En toch zag ik snel drie blinde hoeken, elk groot genoeg om de hele structuur op te laten stranden. Niet omdat er slecht was nagedacht. Maar deze hoeken staan in geen enkel handboek; ze komen uit de praktijk en soms niet direct zichtbare regelgeving.
De vraag waar het om draaide: "de winst staat straks in Paramaribo, hoe krijgen we die naar Nederland?"
De dividendroute rekent snel: 36% Surinaamse winstbelasting, daarna, in het beste geval, 7,5% dividendbelasting onder het verdrag Nederland–Suriname. Ruim 40% gecombineerd.
Om de dividendbelasting te voorkomen dan toch liever een vaste inrichting of toch maar de Suriname Dutch Tango structuur ;-)
Het schema voor de alternatieven: management fees, rente, royalty's. Suriname kent géén bronheffing op deze stromen. Aftrekbaar tegen 36% daar, belast tegen de vpb-tarieven hier. Op papier wint deze route met afstand.
Op papier. Want hier zaten de blinde hoeken.
1. DE SURINAAMSE BTW
Suriname heeft sinds 2023 een volwaardige btw, en die werkt anders dan menigeen denkt. De hoofdregel voor B2B-diensten: de plaats van dienst is waar de afnemer is gevestigd. Management fees en royalty's vanuit Nederland landen dus fiscaal in Suriname. En omdat de Nederlandse dienstverrichter daar geen vaste inrichting heeft, is de heffing verlegd naar de Surinaamse vennootschap: te voldoen in haar eigen aangifte.
Is die vennootschap volledig aftrekgerechtigd dan is de verlegging in beginsel neutraal. Is zij dat niet, dan smelt het papieren voordeel.
En wie per saldo in een teruggaafpositie belandt, leert nog een les. De wet belooft terugbetaling binnen één maand, op te schorten tot maximaal drie. De praktijk is geduldiger: teruggaven duren vaak langer en komen zelden zonder dat eerst een boekenonderzoek is afgerond. Wie zijn cashflowplanning op een vlotte teruggave bouwt, financiert intussen de Surinaamse schatkist, de wettelijke rentevergoeding bij late terugbetaling ten spijt.
Rente blijft buiten schot, het verlenen van krediet is vrijgesteld.
2. DE DEVIEZENPRAKTIJK
De Deviezenregeling is geen dode letter, zij is in 2024 nog gewijzigd en de Deviezencommissie 'ordent' het verkeer actief per Algemene Beschikking. Twee bepalingen die elke structuur richting Paramaribo raken:
Betalingen aan niet-ingezetenen zijn zonder vergunning verboden. Elke fee, royalty of dividenduitkering richting Nederland loopt dus via een deviezenbank, binnen het kader van de algemene en bijzondere vergunningen.
Het stellen van zekerheid voor schulden van of jegens niet-ingezetenen is zonder vergunning verboden. Wie de Surinaamse werkmaatschappij laat meetekenen voor groepsfinanciering, raakt deze bepaling.
3. DE KWALIFICATIEVRAAG — WAAR HET HELE BEELD KANTELT
En dan de vraag die het schema nooit stelde, terwijl zij voor deze cliënt de enige vraag was die ertoe deed: kwalificeert de onderneming als sub-contractor onder de Petroleumwet 1990?
De definitie: wie direct of indirect diensten verleent die kenmerkend zijn voor petroleumwerkzaamheden, naar gebruik in de internationale petroleumindustrie, valt eronder. En de wet verklaart vervolgens álle rechten, privileges en ontheffingen van de contractor van overeenkomstige toepassing op diens sub-contractors.
Dan verschuift alles:
De btw. Leveringen en diensten áán contractors en sub-contractors zijn onderworpen aan het nultarief. De verlegde management fee van zojuist? Belast, maar tegen nul, met behoud van aftrek. De wetgever koos hier bewust voor een nultarief in plaats van een vrijstelling, juist om structurele teruggaven in deze kapitaalintensieve sector te voorkomen.
De dividendbelasting. De wet stelt vrij: belastingen op dividenden aan niet-Surinaamse aandeelhouders én de overdracht van winsten aan een buitenlands hoofdkantoor. De route die het schema als duurste terzijde schoof, ruim 40% gecombineerd, wordt bij kwalificatie ineens de voordeligste: 36% winstbelasting, en daarna niets.
Het deviezenregime. De Petroleumwet geeft een wettelijk recht op overmaking van winsten en terugbetaling van hoofdsom en rente in vreemde valuta. De blinde hoek van zojuist, de vergunningplicht, wordt voor de kwalificerende onderneming een vrijgeleide.
Twee kanttekeningen voor wie nu te snel juicht.
Eén: local content staat vooralsnog niet hard in de wet maar wel in het contract, en vooral in de praktijk. De PSC verplicht contractor en sub-contractors tot voorrang voor Surinaamse goederen, diensten en arbeidskrachten, met kwartaalrapportages over lokale inkopen en lokale aannames. Sterker nog: van elk subcontract gaat een getekend exemplaar naar Staatsolie. Er wordt dus actief op aangestuurd en gecontroleerd en het einde van die ontwikkeling is nog niet in zicht. De regering heeft een Nationaal Local Content Programma voor 2026 aangekondigd, met aangescherpte wetgeving in de maak die buitenlandse bedrijven wettelijk vermoedelijk zal verplichten tot samenwerkingsverbanden met Surinaamse partners (en werknemer quota's?). Wie denkt dat local content vrijblijvend is omdat de Petroleumwet er vandaag over zwijgt, leest niet alleen het verkeerde document, hij kijkt ook de verkeerde kant op.
Twee: de cost recovery audit is geen papieren dreiging. De PSC geeft Staatsolie het recht de boeken en onderliggende documentatie van de contractor door te lichten en de factuur van de sub-contractor is die documentatie. Facturatie en dossiervorming moeten die toets vooraf al kunnen doorstaan.
Hetzelfde schema, een totaal andere uitkomst, maar alleen voor wie de kwalificatievraag stelt vóórdat de structuur staat.
De praktijk, op negen uur vliegen, is weerbarstiger en rijker dan het schema doet vermoeden.
Bij Bougainville Tax doen wij daarom de Nederlandse kant van zulke structuren mét de Surinaamse werkelijkheid al verdisconteerd, de btw-wet, de Deviezenregeling, de Petroleumwet én de PSC incluis.
Het liep uiteindelijk goed af. Al werd de second opinion gaandeweg volledig herschrijven: de structuur staat, maar van het oorspronkelijke schema is weinig over. En zo werd in die vergadering stilzwijgend de volgorde omgedraaid: wie meekijkt op de corridor Nederland–Suriname, neemt uiteindelijk toch de pen over. Dan maar meteen de lead.
Die conclusie laat zich overigens ook vooraf trekken. Het scheelt een vergadering.