Vrijwillige verbetering (inkeer) in 2026: wat levert het nog op?
Veel belastingplichtigen dragen een oude fout met zich mee. Een buitenlandse bankrekening die nooit in box 3 is aangegeven, een geërfd vermogen in Suriname of Spanje dat buiten de aangifte bleef, een verhuurde woning die niet is opgegeven, of cryptovermogen dat jarenlang onvermeld bleef. Zolang de Belastingdienst er niet naar heeft gevraagd, lijkt de kwestie te rusten. Toch is dat een schijnrust: met de internationale gegevensuitwisseling en de toegenomen controle komt onvermeld vermogen vaker en sneller aan het licht dan vroeger. De vraag is dan niet óf, maar wanneer, en of u het initiatief neemt voordat de inspecteur dat doet.
De vrijwillige verbetering, in de wet de inkeerregeling genoemd, is het instrument om die stap gecontroleerd te zetten. De regeling is de afgelopen jaren echter ingrijpend versoberd, en wat inkeer u nog oplevert hangt sterk af van de aard van het inkomen, het moment waarop u inkeert en de volledigheid waarmee u dat doet. Dit whitepaper geeft het totaalbeeld van de stand per 2026: wat de regeling inhoudt, wanneer zij nog boetevrijstelling biedt en wanneer niet, hoe zij zich verhoudt tot de navorderingstermijnen en het strafrecht, en waar het in de uitvoering op aankomt.
Wat is vrijwillige verbetering, en waarom bestaat de regeling?
De wettelijke basis is artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De kern van het eerste lid is dat geen vergrijpboete wordt opgelegd aan de belastingplichtige die uiterlijk twee jaar nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of had moeten doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet of alsnog juiste en volledige inlichtingen verstrekt, mits hij dat doet voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend is of zal worden. Dat laatste is het vrijwilligheidscriterium, en het is bepalend. Van een vrijwillige verbetering is geen sprake meer als de belastingplichtige weet dat ontdekking nog slechts een kwestie van tijd is. De Hoge Raad heeft bevestigd dat voor die verwachting niet het moment van de onjuiste aangifte telt, maar het moment waarop feitelijk wordt ingekeerd (HR 2 november 2018, BNB 2019/7). Wie wacht tot de Belastingdienst een brief over buitenlandse tegoeden stuurt, is dus in de regel te laat.
De regeling raakt uitsluitend de vergrijpboete, en alleen bij opzet of grove schuld. Wie zonder opzet of grove schuld een fout in zijn aangifte maakt, loopt sowieso geen vergrijpboete op en hoeft zich niet op de inkeerregeling te beroepen. Artikel 67n AWR ziet naar de letter op de vergrijpboeten bij aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting (de artikelen 67d en 67e AWR). Voor de aangiftebelastingen, bijvoorbeeld de omzetbelasting en de loonheffingen, is de inkeer beleidsmatig geregeld in paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Belangrijk om te onthouden is wat inkeer niet doet: zij neemt de boete weg of matigt die, maar zij laat de verschuldigde belasting zelf onaangetast. Die moet, vermeerderd met belastingrente, alsnog worden betaald.
Wanneer levert inkeer nog boetevrijstelling op, en wanneer niet meer?
De tweejaarstermijn is het scharnierpunt. Deze termijn, in 2009 in de wet opgenomen, vangt aan op het moment waarop de onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan of gedaan had moeten worden. Keert u binnen die twee jaar vrijwillig in, dan volgt op grond van artikel 67n lid 1 AWR geen vergrijpboete. Keert u pas na twee jaar in, dan voorkomt inkeer de boete niet, maar leidt zij op grond van het tweede lid tot matiging ervan. Het huidige beleid werkt daarbij niet meer met vaste percentages, maar weegt de vrijwillige verbetering mee als strafverminderende omstandigheid bij de individuele straftoemeting (paragraaf 7 BBBB). Ter illustratie van de ontwikkeling: de boete na twee jaar liep in de loop der jaren stapsgewijs op, van vijftien procent naar dertig en zestig procent, en voor box 3-inkomen sinds medio 2016 zelfs tot honderdtwintig procent van de nagevorderde belasting.
Sinds 1 januari 2020 kent artikel 67n een derde lid dat de boetevrije inkeer voor twee categorieën volledig uitsluit. Het gaat om inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2, artikel 4.12 Wet inkomstenbelasting 2001) en om inkomen uit sparen en beleggen (box 3, artikel 5.1 Wet IB 2001), ongeacht of dat in binnen- of buitenland is opgekomen. Voor deze twee stromen geldt dat inkeer, binnen of buiten de tweejaarstermijn, nooit tot een volledige boetevrijstelling leidt. Wel blijft de vrijwillige verbetering ook dan een strafverminderende omstandigheid (paragraaf 7, tweede lid, BBBB), zodat inkeer financieel zinvol blijft, ook al is de boete niet meer volledig af te wenden. Kort samengevat: voor box 1, de vennootschapsbelasting en overige belastingen levert tijdige inkeer nog steeds boetevrijstelling op, voor box 2 en box 3 alleen nog matiging.
Waarom is buitenlands en Surinaams vermogen een apart verhaal?
De versobering van de inkeerregeling begon juist bij het buitenland. Per 1 januari 2018 werd de boetevrije inkeer afgeschaft voor inkomen uit sparen en beleggen dat in het buitenland is opgekomen, de zogenoemde zwartspaardersuitsluiting. Per 1 januari 2020 is die uitsluiting verbreed naar al het box 3-inkomen en naar box 2, waarmee het onderscheid tussen binnenlands en buitenlands vermogen voor de inkeer verdween. De achtergrond was mede Unierechtelijk: een regeling die buitenlands vermogen strenger behandelt dan binnenlands vermogen is kwetsbaar, en die kwetsbaarheid is met de verbreding weggenomen. Voor de praktijk betekent dit dat wie vandaag een buitenlandse spaarrekening of een geërfd buitenlands vermogen alsnog aangeeft, voor de box 3-component niet meer op een boetevrije uitkomst kan rekenen, maar wel op matiging.
Voor onze praktijk is dit bij uitstek de plek waar de corridor Nederland–Suriname zichtbaar wordt. Een in Nederland wonende erfgenaam van een Surinaamse nalatenschap, een ondernemer met een rekening of onroerend goed in Paramaribo, of een familie met vermogen dat over de grens is opgebouwd: het zijn precies de situaties waarin box 3-vermogen jarenlang buiten de Nederlandse aangifte is gebleven. Dat vermogen valt onder de verlengde navorderingstermijn en onder de aangescherpte inkeerregels, en vraagt om een zorgvuldige reconstructie over meerdere jaren. Wij hebben deze scenario's uitgebreider beschreven in Inkeerregeling bij buitenlands vermogen →. De les is dat de herkomst van het vermogen niet langer bepaalt óf u inkeert, maar wel hoe zwaar het dossier weegt en welke termijnen en risico's spelen.
Hoe verhoudt inkeer zich tot de navorderingsbevoegdheid van de Belastingdienst?
Inkeer en navordering zijn twee verschillende dingen. De inkeerregeling van artikel 67n AWR is een boeterechtelijk instrument en regelt uitsluitend de gevolgen voor de boete. De navorderingstermijnen van artikel 16 AWR zijn heffingsrechtelijk en bepalen hoe ver de inspecteur mag terugvorderen. Die bevoegdheid staat los van de inkeer: of u nu inkeert of niet, over alle nog navorderbare jaren kan de verschuldigde belasting, vermeerderd met belastingrente, worden nagevorderd. De reguliere navorderingstermijn bedraagt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld (artikel 16 lid 3 AWR). Voor bestanddelen die in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen geldt een verlengde termijn van twaalf jaar (artikel 16 lid 4 AWR), omdat de controlemogelijkheden van de fiscus daar beperkter zijn en internationale gegevensuitwisseling meer tijd vergt. Parallel daaraan loopt de boetebevoegdheid: ook die vervalt bij de twaalfjaarstermijn pas na twaalf jaar (artikel 67ob lid 4 AWR).
Aan de twaalfjaarstermijn zit voor vermogen binnen de Europese Unie een belangrijke rem. Op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaken X en Passenheim-Van Schoot moet de inspecteur, zodra hij aanwijzingen heeft over buitenlandse tegoeden, met redelijke voortvarendheid handelen. Een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is in beginsel fataal voor de navordering. Dit voortvarendheidsvereiste geldt niet bij de gewone vijfjaarstermijn, en evenmin onverkort buiten de EU: recente rechtspraak, waaronder een uitspraak van Hof Den Haag van 16 april 2026, bevestigt dat voor tegoeden buiten de EU, zoals in de Verenigde Staten, de verlengde termijn onverkort kan gelden op grond van de standstill-bepaling van het Europese recht. De praktische betekenis hiervan is groot: bij een inkeer over buitenlands vermogen bepaalt de precieze herkomst en tijdlijn hoeveel jaren daadwerkelijk in de heffing kunnen worden betrokken.
Wat betekent vrijwillige verbetering strafrechtelijk?
Naast de boeterechtelijke inkeer kent de wet een strafrechtelijke pendant in artikel 69 lid 3 AWR. Deze bepaling laat het recht tot strafvervolging voor de fiscale misdrijven van artikel 69 AWR vervallen wanneer de belastingplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet of juiste en volledige inlichtingen verstrekt, voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de betrokken ambtenaren met het feit bekend zijn of zullen worden. Het gaat om een persoonlijke strafuitsluitingsgrond, waarop in beginsel alleen de belastingplichtige zelf een beroep kan doen. Van belang is dat deze vervolgingsuitsluiting parallel aan de boetesfeer is beperkt: sinds 2020 sluit inkeer van box 2- en box 3-inkomen de strafvervolging op grond van artikel 69 AWR niet meer uit, terwijl zij voor box 1, de vennootschapsbelasting en overige belastingen onverkort blijft gelden.
Een aandachtspunt is dat artikel 69 lid 3 AWR naar de letter alleen ziet op de fiscale misdrijven, en niet op commune delicten zoals valsheid in geschrift (artikel 225 Sr) of witwassen (artikel 420bis Sr). De Hoge Raad heeft aanvaard dat de beginselen van een behoorlijke procesorde onder bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een geslaagde inkeer ook vervolging voor zulke samenhangende delicten in de weg staat, maar de lagere rechtspraak is hierover verdeeld, en de uitkomst is sterk feitelijk bepaald. Daarnaast beschermt het una via-beginsel de belastingplichtige tegen dubbele bestraffing voor dezelfde gedraging: op grond van artikel 5:44 Awb legt de inspecteur geen bestuurlijke boete op als voor hetzelfde feit een strafvervolging loopt waarvan het onderzoek ter zitting is begonnen of waarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd, en artikel 243 lid 2 Sv verbindt daaraan de spiegelbeeldige beperking aan de strafrechtelijke kant. Wie inkeert, moet dus niet alleen de boete, maar ook het strafrechtelijke spoor in het oog houden.
Hoe kiest de Belastingdienst tussen een boete en strafvervolging?
Of een zaak bestuurlijk wordt afgedaan met een boete of strafrechtelijk wordt vervolgd, wordt bepaald aan de hand van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten, de meest recente versie daarvan dateert van 2023. Dat protocol regelt de afstemming tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie. Een opvallende koerswijziging ten opzichte van vroeger is dat het strafrecht niet langer als laatste redmiddel wordt gezien, maar als een instrument dat naast toezicht en boeteoplegging een normbevestigende en preventieve rol speelt. De keuze verloopt in beginsel langs een drempel: een vermoeden van een fiscaal delict wordt intern aangemeld vanaf een fiscaal nadeel van twintigduizend euro, en zaken met een vermoedelijk nadeel van honderdduizend euro of meer waarbij opzet wordt vermoed, worden in beginsel aan het Openbaar Ministerie voorgelegd.
Onder de honderdduizend euro is aanmelding niet uitgesloten, maar hangt zij af van aanvullende wegingscriteria. Juist die criteria zijn voor onze doelgroep relevant, want daaronder vallen onder meer het verhullen van vermogen in het buitenland, de combinatie van een fiscaal delict met commune delicten, en de betrokkenheid van een adviseur of deskundige derde. Dat betekent dat een op zichzelf niet astronomisch bedrag toch strafrechtelijke aandacht kan trekken wanneer er een buitenlandcomponent of een structuur achter zit. De uiteindelijke keuze wordt gemaakt in een afstemmingsoverleg van Belastingdienst, FIOD en Openbaar Ministerie, en dagvaarding in strijd met het protocol kan tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden. Voor de belastingplichtige onderstreept dit dat de vraag hoe en wanneer wordt ingekeerd, mede het verschil kan maken tussen een bestuurlijke afdoening en een strafrechtelijk traject.
Waar komt het in de uitvoering op aan?
Uit alle bovenstaande lijnen komt één rode draad naar voren: het resultaat van een vrijwillige verbetering wordt bepaald door timing en volledigheid. Timing, omdat inkeer alleen vrijwillig is zolang u de fiscus vóór bent; zodra ontdekking aanstaande is, vervalt het voordeel. Volledigheid, omdat een gedeeltelijke of selectieve inkeer geen bescherming biedt. De rechtspraak laat zien dat een beroep op de regeling strandt wanneer niet alle onjuiste aangiften en alle bestanddelen worden rechtgezet. Een goede inkeer omvat daarom een volledige reconstructie van het onvermelde inkomen of vermogen over alle relevante jaren, een sluitende onderbouwing met stukken, en een correcte en tijdige melding aan de Belastingdienst.
Even belangrijk is dat de stappen in de juiste volgorde en met de juiste toon worden gezet. De hoogte van de na te vorderen belasting en de belastingrente, de vraag welke jaren nog openstaan, de boetepositie per box, en het risico op strafrechtelijke aandacht bij een buitenlandcomponent hangen met elkaar samen en moeten in onderling verband worden beoordeeld voordat de eerste brief de deur uitgaat. Een inkeer die niet goed is voorbereid, kan het voordeel dat de regeling nog biedt onbedoeld verspelen.
Waarom dit maatwerk is
De vrijwillige verbetering is geen standaardformulier maar een strategische, in feite eenmalige beslissing, die het beste rendeert wanneer zij in één keer goed wordt gezet. Onze praktijk begeleidt inkeertrajecten van begin tot eind: de fiscale beoordeling van uw positie per box en per jaar, de reconstructie en onderbouwing van het vermogen, de afstemming van de boete- en strafrechtelijke risico's, en de melding en afwikkeling met de Belastingdienst. Met onze focus op de corridor Nederland–Suriname en op internationaal vermogen zijn wij bij uitstek toegerust voor de dossiers waarin buitenlands vermogen, erfenissen over de grens en de verlengde navorderingstermijn samenkomen. Wie overweegt in te keren, doet er goed aan dat te doen voordat de keuze hem uit handen wordt genomen.
De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal, juridisch of financieel advies. Genoemde bedragen, percentages en termijnen gelden voor 2026 en kunnen wijzigen. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.