Fiscaal advies voor de DGA en ondernemer

Wat is fiscaal verstandig voor de DGA die verder kijkt dan de aangifte?

De directeur-grootaandeelhouder zit fiscaal op twee stoelen tegelijk. U bent werknemer van uw eigen onderneming en tegelijk haar aandeelhouder. Vrijwel elke fiscale vraag die u als DGA tegenkomt, is in de kern een vraag over de spanning tussen die twee rollen: neemt u geld op als loon of als dividend, laat u winst in de vennootschap of keert u uit, leent u van uw eigen BV of niet. Wie die spanning goed beheert, betaalt vandaag niet te veel en houdt de deur open naar groei, opvolging en een eventueel leven over de grens. Wie er niet over nadenkt, betaalt op alle drie de fronten te veel. Deze pagina behandelt de afweging in samenhang, want dat is waar het werkelijke voordeel zit, niet in het losse antwoord op een losse vraag.

Rechtsvorm: wanneer is de BV fiscaal aantrekkelijk?

De eerste vraag is vaak die van de rechtsvorm. Een eenmanszaak of vennootschap onder firma kent ondernemersfaciliteiten zoals de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling van 12,7%, die het effectieve tarief in de inkomstenbelasting verlagen. De BV ontleent haar aantrekkelijkheid aan iets anders: uitstel. Winst die in de vennootschap blijft, wordt belast tegen het vennootschapsbelastingtarief van 19% over de eerste € 200.000 en 25,8% daarboven, en pas bij uitkering naar privé volgt de heffing in box 2.

Het gecombineerde tarief van vennootschapsbelasting plus box 2 is bij volledige uitkering vaak hoger dan het IB-tarief van de ondernemer. Het werkelijke voordeel van de BV zit dan ook niet in een lager totaaltarief, maar in het liquiditeitsvoordeel van uitstel: winst die u herinvesteert of laat renderen binnen de vennootschap, is nog niet afgerekend in box 2. Daar komt bij dat de BV niet-fiscale voordelen biedt die zwaar wegen, zoals beperking van aansprakelijkheid, betere continuïteit en een structuur die opvolging en participatie van derden eenvoudiger maakt. De keuze voor de BV is daarom zelden een zuiver tariefvraagstuk. Het is een keuze over wat u met de winst van plan bent.

Hoe hoog moet het gebruikelijk loon van de DGA zijn?

Zodra u via een BV werkt, dwingt de gebruikelijkloonregeling u een zakelijk loon op te nemen. Dat loon bedraagt in beginsel minimaal € 58.000, tenzij u aannemelijk maakt dat een lager bedrag past bij de functie, en het mag niet afwijken van wat voor vergelijkbaar werk gebruikelijk is. De regeling bestaat om te voorkomen dat u door uw loon kunstmatig laag te houden tariefvoordeel behaalt of oneigenlijk gebruikmaakt van inkomensafhankelijke regelingen.

Het gebruikelijk loon is belast in box 1 en de BV houdt daarover loonheffing in. Voor de werknemersverzekeringen geldt dat u als DGA in de regel niet verzekerd bent, omdat u doorslaggevende zeggenschap heeft over uw eigen ontslag. Dat bespaart de BV premies, maar betekent ook dat u zich zelf moet verzekeren tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het loon is geen formaliteit. Het is het bedrag waarboven uw keuzevrijheid pas begint.

Salaris of dividend: wat is de juiste beloningsmix?

Pas nadat het gebruikelijk loon is genoten, ontstaat de vraag die veel DGA's bezighoudt: neemt u het meerdere op als extra salaris of als dividend? Salaris is belast in box 1, dividend in box 2, met een tarief van 24,5% tot € 68.842 en 31% daarboven. Belastingvrij uitstel van salaris is niet mogelijk, dus de speelruimte ligt in het meerdere boven het gebruikelijk loon.

De juiste mix is geen vast recept. Zij hangt af van de hoogte van uw inkomen, van uw behoefte aan liquiditeit in privé, van de vraag of u winst wilt herinvesteren in de vennootschap, en van uw plannen op langere termijn. Wie dividend uitstelt, stelt de box 2-heffing uit, maar bouwt tegelijk een claim op die op enig moment wordt afgerekend. De afweging tussen nu uitkeren en later is daarom niet alleen een tariefsom, maar een liquiditeits- en planningsvraag.

Wanneer raakt de DGA de Wet excessief lenen?

Lenen van de eigen BV voelt aantrekkelijk: u haalt geld naar privé zonder direct af te rekenen in box 2. Sinds de Wet excessief lenen kent die route een harde grens. Schulden aan de eigen vennootschap boven € 500.000 worden als fictief regulier voordeel in box 2 belast, met uitzondering van de eigenwoningschuld die aan de voorwaarden voldoet. De grens dwingt af dat de BV geen permanente privébank wordt.

Ook los van die drempel luistert lenen tussen u en uw BV nauw. Een lening tegen een onzakelijk lage rente leidt ertoe dat het voordeel als winstuitdeling wordt belast. Rente op een lening voor consumptie of belegging is in privé niet aftrekbaar, en voor een eigenwoninglening van de BV gelden specifieke voorwaarden en informatieplichten. De rode draad is steeds dezelfde: tussen u en uw vennootschap moeten de verhoudingen zakelijk zijn. Onzakelijke leningen, beloningen en pensioenafspraken zijn de meest voorkomende bron van fiscale risico's bij de DGA.

Hoe bereidt u uw structuur voor op groei en opvolging?

De vragen tot hier gaan over vandaag. De structuur die u kiest, bepaalt echter ook hoe eenvoudig morgen wordt. Een houdster-BV boven de werkmaatschappij is hier het centrale instrument. Via de deelnemingsvrijstelling kan winst onbelast van de werk-BV naar de holding worden uitgekeerd, zodat u kunt herinvesteren en risico kunt spreiden zonder tussentijdse heffing. Diezelfde structuur maakt het mogelijk de werk-BV later over te dragen zonder directe belastingheffing, en certificering van aandelen via een STAK laat u zeggenschap en economisch belang scheiden.

Begint u vanuit een eenmanszaak, dan kan de geruisloze omzetting naar een BV uitkomst bieden: de heffing over de stille reserves wordt uitgesteld, mits aan de voorwaarden en termijnen wordt voldaan. Voor de overdracht zelf gelden bovendien de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de schenk- en erfbelasting, met hun eigen voorwaarden. De kern is dat opvolging zich slecht laat improviseren. Wie de holdingstructuur tijdig opzet, creëert de ruimte die er bij een overhaaste overdracht niet meer is.

En de DGA met internationale belangen?

Voor de DGA die emigreert of grensoverschrijdend onderneemt, komt er een laag bij. Woont u in het buitenland, dan mag Nederland alleen heffen over de inkomensbestanddelen die het belastingverdrag aan Nederland toewijst, en of de gebruikelijkloonregeling doorwerkt, hangt af van dat verdrag. Pensioen is in Nederland belast voor zover het hier is opgebouwd, tenzij het verdrag anders bepaalt. Bij een geruisloze omzetting met een buitenlandse aandeelhouder, of bij verplaatsing van een pensioenlichaam, gelden aanvullende voorwaarden om de Nederlandse belastingclaim veilig te stellen.

Dit is precies de plek waar generiek advies tekortschiet, want elke keuze in Nederland heeft een spiegelbeeld aan de andere kant van de grens. De volgorde waarin u handelt en de termijnen die u haalt, bepalen of een emigratie soepel verloopt of uitmondt in dubbele heffing. Onze praktijk is op deze grensoverschrijdende vraagstukken gebouwd, met bijzondere expertise in de corridor Nederland–Suriname en in Nederland–Spanje.

Waarom samenhang het echte werk is

Geen van deze vragen staat op zichzelf. Uw gebruikelijk loon bepaalt uw ruimte voor dividend. Uw dividendbeleid raakt aan de Wet excessief lenen. Uw holdingstructuur bepaalt hoe groei, opvolging en emigratie straks verlopen. Een adviseur die elk van deze vragen los beantwoordt, geeft technisch juiste antwoorden die samen toch een te dure uitkomst opleveren. De winst zit in de samenhang: de fiscale inrichting van uw onderneming en uw positie als DGA als één geheel bekeken, afgestemd op waar u nu staat en waar u over vijf of tien jaar wilt staan.

Dat is de manier waarop wij werken. Rustig, precies en gericht op het verband tussen de onderdelen, met advies dat technisch sterk is en praktisch toepasbaar, en met oog voor uw belangen ook over de grens.

De informatie op deze pagina is van algemene en informatieve aard en vormt geen fiscaal of juridisch advies. Voor toepassing op uw specifieke situatie adviseren wij u graag persoonlijk.